Hollandbio waarschuwde al eerder voor de mogelijk verstrekkende impact van de herziene farmaceutische wetgeving die recent officieel werd aangenomen. Misschien wel bovenaan onze zorgenlijst staat Artikel 59: de lanceerverplichting, die, zeker in de huidige geopolitieke context, explosieve gevolgen kan hebben.
Geen launch binnen drie jaar? Da’s pech, regulatoire marktbescherming weg De lanceerverplichting (Artikel 59) is – op papier – gericht op het verbeteren van beschikbaarheid en leveringszekerheid van nieuwe geneesmiddelen in elke Europese lidstaat. Volgens de bepaling kunnen individuele lidstaten marktvergunningshouders verzoeken om binnen één jaar na verlening van een Europese handelsvergunning ofwel een geldige aanvraag voor prijsstelling en vergoeding in te dienen, deel te nemen aan nationale aanbestedingsprocedures, of met de betreffende lidstaat tot een roll-out plan voor levering van het geregistreerde product te komen. Voldoet de vergunninghouder binnen drie jaar niet aan dit verzoek, dan vervalt de regulatoire marktbescherming in dat land.
Europa rijkelijk naïef in wereldwijde handelsoorlog Het zal voor velen geen nieuws zijn, maar onze sector bevindt zich temidden van een geopolitiek schaakspel dat zijn weerga niet kent. Europa heeft daarin een aantal troeven, zoals sterke wetenschap, innovatieve start-ups en fantastisch talent. Helaas kent het Europese biotech ecosysteem ook fikse zwakke plekken: de beschikbaarheid van kapitaal om te schalen en te commercialiseren, ingewikkelde, tijdrovende en kostbare routes voor markttoelating, en, wellicht de zwakste plek: een totaal gefragmenteerde afzetmarkt en beperkte betalingsbereidheid voor innovatie. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, wereldleider in investeringen in biotech innovatie én bovendien de aantrekkelijkste markt voor geneesmiddelen.
Daar willen de VS nu wat voor terug: met Trumps handelstarieven en Most-Favorite-Nation (MFN) beleid van globale referentieprijzen, streven de VS naar een eerlijkere verdeling van de wereldwijde rekening voor innovatie, en bovendien om zo veel mogelijk (productie)schakels van de biotech keten naar eigen territorium te trekken. Het stelt biotech bedrijven voor een duivels dilemma: wanneer zij producten in Europa lanceren, lopen zij het risico hun omzet in de VS, by far de belangrijkste afzetmarkt, te zien teruglopen.
Explosiegevaar: bommetje onder biotechbeleid Juist in deze geopolitieke context is de lanceerverplichting een bijzonder explosieve wetgevende passage. Want waar het nu meer dan ooit nodig is om een gezamenlijke Europese vuist te maken, en te zorgen voor een sterkere, minder gefragmenteerde Europese afzetmarkt voor innovatieve geneesmiddelen, geeft artikel 59 lidstaten juist alle ruimte om nog meer individuele eisen te stellen aan bedrijven en de fragmentatie te vergroten. En tot overmaat van ramp kiest Europa niet voor de wortel, maar voor de stok: met het verliezen van marktbescherming morrelt Europa aan het fundament van het wereldwijde systeem van biotech innovatie.
Maatregel waarschijnlijk niet doeltreffend Al staat er rondom artikel 59 nog veel open, hollandbio vreest dat Europa haar hand hier fiks overspeelt. In het huidige geopolitieke geweld is het aannemelijker dat meer fabrikanten af gaan zien van registratie in Europa, dan dat de lanceerverplichting bij gaat dragen aan de beoogde verbetering van beschikbaarheid en leveringszekerheid van innovatieve geneesmiddelen. Je kunt immers wel eisen stellen, maar een bedrijf moet ook kunnen en willen leveren. Dat doen ze doorgaans als eerst daar waar dit financieel het meest loont.
Een doemscenario dreigt: Europa krijgt pas toegang tot innovatieve medicijnen als ze niet meer innovatief zijn, wanneer generieken en biosimilars hun intrede doen. En of de markt nog wel aantrekkelijk genoeg is voor generieken en biosimilars, is dan nog maar de vraag. De aanhoudende race naar de bodem van het generieke prijsbeleid, doet vrezen.
Gelukkig zijn niet alle lidstaten enthousiast over artikel 59, en biedt de passage juist door zijn opzet nog volop ruimte voor eigen invulling bij de implementatie. Het Nederlandse kabinet lijkt zich bewust van de risico’s van dit artikel, getuige ook de beantwoording van vragen die uit dit eerdere Schriftelijk Overleg, waarin de regering zich sceptisch uitlaat over de doeltreffendheid van het concept lanceerverplichting. Het Nederlandse perspectief is er echter slechts één van de 27, en het is nog niet duidelijk hoe andere lidstaten in de wedstrijd zitten. Bij hollandbio zijn we er in ieder geval nog bepaald niet gerust op…
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Dina Diekhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgDina Diek2026-09-29 16:28:222026-09-29 16:28:26To launch or not to launch, is de vraag← #nieuws
Europa heeft met de nieuwe NGT-verordening een belangrijke stap gezet richting toekomstbestendige landbouw. Maar met alleen een mooi wettelijk kader zijn we er nog niet. Of onderzoekers, veredelaars en biotechbedrijven straks écht met deze slimme veredelingstechnieken aan de slag kunnen, hangt nog af van de praktische uitwerking van de regels. Daarom diende hollandbio input in op de uitvoeringsregels voor zowel categorie 1- als categorie 2-NGT-planten. Onze boodschap richting de Europese Commissie: zorg voor werkbare procedures en voorkom dat onnodige informatieverplichtingen, technisch onhaalbare detectie-eisen en ellenlange procedures innovatie alsnog de pas afsnijden.
Zelfde gewassen, maar dan beter
Met nieuwe genomische technieken, zoals CRISPR-Cas, kunnen veredelaars sneller, preciezer en efficiënter werken aan gewassen die beter bestand zijn tegen ziekten, plagen, droogte en hitte, bijvoorbeeld omdat zij efficiënter om kunnen gaan met water en voedingsstoffen of een verbeterde voedingswaarde krijgen. Stuk voor stuk oplossingen waar onze landbouw, voedselvoorziening en planeet om zitten te springen.
De nieuwe Europese verordening maakt daarbij onderscheid tussen twee categorieën. Categorie 1 omvat planten met genetische aanpassingen die ook van nature of via conventionele veredeling zouden kunnen ontstaan. Voor deze planten komt een vereenvoudigde verificatieprocedure. Categorie 2 omvat planten met andere NGT-aanpassingen. Voor deze categorie blijven aangepaste procedures voor risicobeoordeling, notificatie en markttoelating gelden.
De Europese Commissie werkt nu de regels en informatievereisten voor beide categorieën verder uit. De manier waarop deze procedures worden ingericht, bepaalt of de nieuwe verordening daadwerkelijk deuren opent, of innovatie door nieuwe bureaucratische hindernissen opnieuw voor een dichte deur komt te staan. In onze inbrengen (voor categorie 1 hier en voor categorie 2 hier te vinden) formuleren we aandachtspunten voor werkbare NGT-regels.
Kijk naar de plant, niet naar de route ernaartoe
Categorie 1-NGT-planten zijn vergelijkbaar met planten die van nature of via conventionele veredeling kunnen ontstaan. De verificatie hoort daarom maar één vraag te beantwoorden: voldoet de uiteindelijke plant aan de vastgestelde criteria?
Wat hollandbio betreft, moet de beoordeling zich richten op het eindresultaat. Tijdelijke tussenstappen en genetische elementen die tijdens de ontwikkeling zijn gebruikt, maar niet meer in de uiteindelijke plant aanwezig zijn, horen de juridische status van die plant niet te bepalen. Alleen de beoogde NGT-aanpassingen die daadwerkelijk in de uiteindelijke plant aanwezig zijn, moeten worden meegeteld.
De verificatie mag al helemaal niet via de achterdeur veranderen in een nieuwe risico- of toelatingsprocedure. Dat zou haaks staan op het uitgangspunt van de verordening en opnieuw onnodige kosten, vertraging en onzekerheid veroorzaken.
Geen genetische speld in een hooiberg zoeken
Ook de bewijsvoering voor categorie 1 moet proportioneel blijven. Veredelaars en onderzoekers moeten met passende wetenschappelijke methoden kunnen aantonen dat een plant aan de criteria voldoet. Een verplichte standaardroute of rigide checklist past daar niet bij.
Whole-genome sequencing mag daarom geen standaardvereiste worden. Zo’n verplichting zou ertoe kunnen leiden dat iedere aangetroffen genetische variant moet worden verklaard, terwijl variatie ook van nature, tijdens weefselkweek en bij conventionele veredeling ontstaat. Daarmee dreigt de verificatie een zoektocht te worden naar een genetische speld in een hooiberg, zonder dat dit nodig is om de categorie 1-status vast te stellen.
De informatievereisten moeten bovendien werkbaar zijn voor de volle breedte van het biotech-ecosysteem, van start-ups en mkb-bedrijven tot gevestigde veredelaars en publieke onderzoeksinstellingen. Ook ontwikkelaars van kleinere of minder commercieel geteelde gewassen mogen niet worden buitengesloten doordat voor hun gewas minder genomische informatie beschikbaar is.
Zorg voor eén Europees speelveld
Eén Europese verordening vraagt om één Europese uitleg. Wanneer iedere lidstaat eigen informatievereisten, telmethoden of aanvullende beperkingen kan introduceren, ontstaat alsnog een nationale hindernisbaan. Hollandbio pleit er daarom voor dat lidstaten geen aanvullende nationale eisen kunnen toevoegen aan de verordening.
Geef onderzoek en veldproeven de ruimte
Een belangrijk aandachtspunt in onze categorie 1-inbreng is de positie van onderzoek en ontwikkeling. In een vroege onderzoeksfase testen ontwikkelaars vaak verschillende aanpassingen, om vervolgens via selectie tot een uiteindelijke plant te komen die binnen de categorie 1-criteria valt.
Het moet daarom praktisch mogelijk blijven om experimentele lijnen met meer dan twintig aanpassingen in veld- en kasproeven te onderzoeken. Als ieder tussenstadium door een zware toelatingsprocedure moet, worden juist de experimenten geblokkeerd die nodig zijn om geschikte categorie 1-planten te ontwikkelen.
Wanneer zulke proeven alleen onder het volledige bestaande ggo-kader kunnen plaatsvinden en vroege verificatie tegelijkertijd openbaarmaking van concurrentiegevoelige onderzoeksinformatie vraagt, wordt onderzoek buiten Europa ineens een stuk aantrekkelijker. Dat is precies het tegenovergestelde van wat Europa nodig heeft. We willen innovatie hier mogelijk maken, niet haar met zorgvuldig opgetuigde regels de grens over jagen.
Eenmaal categorie 1, blijvend categorie 1
Ook na verificatie moet er duidelijkheid zijn. Een plant die als categorie 1 is geverifieerd, moet vervolgens net als conventioneel uitgangsmateriaal in verdere veredelingsprogramma’s kunnen worden gebruikt.
Eerder beoordeelde aanpassingen mogen bij volgende kruisingen niet telkens opnieuw worden geteld of beoordeeld. Dat geldt ook voor nakomelingen van planten die afzonderlijk al als categorie 1 zijn geverifieerd. Alleen wanneer daarna een nieuwe NGT-toepassing plaatsvindt, horen de nieuw geïntroduceerde aanpassingen te worden bekeken.
Zonder zo’n duurzame status blijft het gebruik van categorie 1-planten in de praktijk onnodig ingewikkeld. Mét die duidelijkheid kunnen veredelaars daadwerkelijk voortbouwen op eerdere innovaties, precies zoals dat bij conventionele veredeling gebeurt.
Laat de regels ook voor categorie 2 het verschil maken
Ook voor categorie 2-planten geldt dat de nieuwe regels alleen verschil maken als de procedures daadwerkelijk slimmer worden ingericht.
Hollandbio pleit uiteindelijk voor een bredere modernisering van het Europese ggo-kader. Regelgeving zou moeten kijken naar de veiligheid en eigenschappen van het uiteindelijke product, in plaats van naar de technologie waarmee dat product is ontwikkeld. Voor categorie 2-NGT-planten moet de beoordeling daarom wetenschappelijk onderbouwd, proportioneel, voorspelbaar en praktisch uitvoerbaar zijn.
Als aanvragen voor categorie 2-planten terechtkomen in dezelfde langdurige, onzekere en politiek gevoelige procedures die de teelt en marktintroductie van ggo-gewassen in Europa al decennialang praktisch onmogelijk maken, dan levert de nieuwe wetgeving niet de beloofde vooruitgang. Een nieuw wettelijk etiket op een oude procedure is niet genoeg.
Het doel moet zijn om de veiligheid van een product zorgvuldig en op basis van wetenschappelijk bewijs te beoordelen. Niet om innovatie vast te laten lopen in een administratief doolhof waaruit zelfs veilige en waardevolle producten niet meer ontsnappen.
Tijd om door te pakken
Europa heeft met de nieuwe NGT-verordening een belangrijke keuze gemaakt voor innovatie. Nu is het zaak die vooruitgang niet alsnog te smoren in een wirwar van bewijsvereisten, nationale verschillen, politiek gevoelige procedures en technisch onhaalbare voorwaarden.
De verordening wordt vanaf 17 juli 2028 van toepassing. Voor die tijd moeten de uitvoeringsregels en bijbehorende richtsnoeren klaar zijn. Hollandbio pleit voor regels die helder, geharmoniseerd, proportioneel en toekomstbestendig zijn. Regels die veiligheid en wetenschappelijke kwaliteit als uitgangspunt nemen, maar ook erkennen hoe onderzoek, plantenveredeling en productontwikkeling in de praktijk werken.
Want alleen wanneer veredelaars en biotechbedrijven slimme veredelingstools daadwerkelijk kunnen gebruiken, kunnen betere gewassen sneller bijdragen aan duurzame landbouw, voedselzekerheid, klimaatadaptatie en een concurrerend Europa.
Europa heeft biotech terecht uitgeroepen tot strategische sector en investeert via publieke financieringsprogramma’s als Horizon Europe dan ook volop om onderzoek richting de markt te helpen. Toch leiden meer investeringen helaas nog niet direct tot meer biotech groei, laat een analyse van tien jaar Horizon-grants zien, uitgevoerd door het Centre for Future Generations (CFG). De huidige subsidie-instrumenten zijn volgens het CFG grotendeels ontworpen voor technologieën die relatief snel van onderzoek naar markt gaan. Innovatieve biotech bedrijven hebben daarentegen juist vaak te maken met lange ontwikkeltrajecten, hoge kapitaalbehoeften en complexe opschalingsvraagstukken. Daardoor zijn de beschikbare subsidies regelmatig onvoldoende voor hen om de volgende technische, klinische of commerciële mijlpaal te bereiken. Lees meer
Niet aansluiten op behoeften is gemiste kans
Het onderzoek laat zien dat een groot deel van het Horizon-biotechbudget op dit moment terechtkomt bij grotere consortia en bedrijven binnen concernstructuren. Hoewel mkb-bedrijven 85% van de biotechontvangers vormen, ontvangen zij slechts 22% van de beschikbare financiering. Dat is een gemiste kans. Juist zelfstandige biotech-SME’s laten volgens het CFG na een Horizon-subsidie een omzetgroei van bijna 25% zien, terwijl dat effect bij bedrijven binnen grotere groepen uitblijft. De onderzoekers concluderen daarom dat niet alleen de hoogte van de financiering telt, maar vooral de aansluiting op de behoeften van innovatieve biotechbedrijven.
Strategische financiering is meer dan geld
Het is een conclusie die hollandbio alleen maar kan onderschrijven. Strategische biotech vraagt om strategische financiering: niet alleen meer geld, maar ook passende tickets, continuïteit tussen instrumenten en financiering die daadwerkelijk terechtkomt waar die het verschil maakt. En natuurlijk moet ook het bredere innovatieklimaat kloppen, benadrukt het rapport terecht. Zeker voor industriële biotech zijn ook gedeelde opschalingsinfrastructuur én een markt voor innovatieve producten nodig. Anders financieren we mooie projecten, maar bouwen we nog geen sterke biotech sector.
Hoera! Het kabinet heeft met deze Kamerbrief bekendgemaakt dat zij de mogelijkheid voor proeverijen met twee jaar verlengt voor kweekvlees en -vis die nog geen Europese Novel Foods goedkeuring hebben ontvangen. Bovendien krijgen Nederlandse opschalingsfaciliteiten zoals Cultivate at Scale nu ook de ruimte om voor hun klanten proeverijen te organiseren. Lees meer
De proeverijen werden twee jaar geleden opgezet door de ministeries van LVVN en VWS in samenwerking met bedrijven, hollandbio en Cellulaire Agricultuur Nederland. In de tussentijd hebben twee bedrijven in totaal vijf proeverijen georganiseerd en heeft Wageningen Food & Biobased Research (WFBR) een evaluatie uitgevoerd, waarvan de aanbevelingen in het vernieuwde protocol voor de proeverijen zijn opgenomen.
Hollandbio is blij dat we samen met ministeries, bedrijven en andere organisaties tot de vernieuwde proeverijen zijn gekomen. Hiermee brengen we deze producten weer een stapje dichter bij de markt.
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Dina Diekhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgDina Diek2026-09-29 14:18:572026-09-29 14:19:58Nederland maakt meer proeverijen kweekvlees en -vis mogelijk← #nieuws
Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen vorige week maakte de Tweede Kamer werk van ouderenvaccinatie. Met een breed gesteunde motie van fractievoorzitters Struijs (50Plus) en Paternotte (D66) draagt de Kamer het kabinet op het RIVM nog voor de Voorjaarsnota een verkenning te laten uitvoeren naar een Rijksvaccinatieprogramma voor 60-plussers. Daarmee grijpt de Kamer precies het knelpunt aan waar hollandbio al langer op wijst: een samenhangende aanpak kan helpen om vaccinaties tegen onder meer griep, corona, pneumokokken, gordelroos en mogelijk RSV toegankelijker en duidelijker te organiseren. En dat is broodnodig, want ons stelsel is nog altijd een lappendeken, om de woorden van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) maar weer eens aan te halen. Vaccinaties zijn namelijk nog altijd versnipperd geregeld, waardoor niet altijd helder is wat waar, wanneer, door wie en tegen welke kosten beschikbaar is. Een Rijksvaccinatieprogramma voor volwassenen zou wat ons betreft een ontzettend welkome aanvulling zijn op het Rijksvaccinatieprogramma voor kinderen. Bovendien zou het perfect passen in de visie op vaccinatie van 0-100+, waar in de beleidskringen ook nog volop aan gewerkt wordt. Met deze motie ligt er nu een stevige politieke opdracht vanuit de samenleving om daar nu eens echt werk van te maken.
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Dina Diekhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgDina Diek2026-09-23 12:08:082026-09-23 12:08:13Tweede Kamer maakt werk van vaccinatie voor volwassenen← #nieuws
Biotech stond voor het eerst in de Troonrede, er komen miljarden voor innovatie en doorgroei en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat zet life sciences & biotechnologie nadrukkelijk op de kaart. Na jaren van rapporten, agenda’s en goede bedoelingen lijkt Den Haag eindelijk de motoren te starten. Maar tankt het kabinet ook voldoende brandstof om echt van z’n plaats te komen?
Miljarden voor innoveren, groeien en opschalen
Om met het goede nieuws te beginnen, voor biotechondernemers liggen er nieuwe kansen in het verschiet. Het kabinet zet drie financieringsinstrumenten naast elkaar:
Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI): €500 miljoen voor disruptieve innovatie. Biotech is een van de eerste domeinen waarvoor programma’s worden uitgewerkt. In 2027 moet een pilot starten; volledige operationalisering is voorzien in de eerste helft van 2028.
Nationaal Groeifonds: €375 miljoen voor strategisch industriebeleid. Biotechnologie is een van de zes focusgebieden. Projecten kunnen €30 tot €100 miljoen ontvangen. Conceptaanvragen kunnen dit najaar naar RVO; definitieve aanvragen volgen medio 2027.
Nationale Investeringsinstelling (NII): €3,3 miljard voor groei en opschaling. De NII moet onder marktconforme voorwaarden groei- en opschalingsfinanciering bieden, samen met private investeerders. Over de precieze uitwerking volgt nog meer informatie.
Met NADI, de nieuwe ronde van het Groeifonds en de NII zet het kabinet stappen richting iets waar hollandbio al jaren om vraagt: passende financiering van innovatie tot opschaling.
Positief is bovendien dat NADI als zelfstandige beleidsdeelneming wordt ingericht, juist om autonomie en slagvaardigheid te organiseren. Hollandbio ziet dat afstand tot de dagelijkse politiek belangrijk is, want innovatie vraagt een lange adem. Wie investeringen voor morgen wil doen, moet voorkomen dat ze bij de politieke waan van vandaag weer worden ingehaald.
De bedragen zijn serieus, maar de investeringsbehoefte voor technologie, innovatie en groei is nog veel groter en breder dan alleen biotech. Het is dus geen eindstation, al is het wel een welkome stap vooruit. En investeren in innovatie? Dat juicht hollandbio natuurlijk van harte toe.
Computer says no is geen innovatiebeleid
Ook fiscaal beweegt er wat. De innovatiebox wordt vanaf 2027 toegankelijker voor het MKB en de WBSO-tarieven blijven in 2027 gelijk. Minder goed nieuws is er voor vroege biotechbedrijven die nog te weinig loonheffing afdragen om hun volledige WBSO-voordeel te verzilveren. De voorgestelde carry forward, waarmee startups ongebruikte WBSO later zouden kunnen benutten, komt er voorlopig niet vanwege uitvoeringsproblemen en onduidelijkheid over de meerwaarde.
Computer says no is wat hollandbio betreft geen innovatiebeleid. Als een effectief instrument niet goed aansluit bij jonge, R&D-intensieve bedrijven, moet de vraag niet alleen zijn waarom uitvoering lastig is, maar vooral hoe we het wél werkend krijgen.
Europa beweegt niet? Beweeg zelf
Diezelfde houding missen we bij de OiM-problematiek. Europese staatssteunregels kunnen innovatieve bedrijven op cruciale momenten in hun ontwikkeling beperken. Tijdens het Tweeminutendebat Innovatie van 3 september drongen Kamerleden er opnieuw op aan om niet alleen in Brussel te zoeken naar meer ruimte, maar ook te kijken wat Nederland zelf kan doen.
Dat vindt hollandbio terecht. Natuurlijk moeten Europese regels beter aansluiten bij de realiteit van innovatieve bedrijven. Maar wachten tot Brussel beweegt terwijl biotechbedrijven nú tegen grenzen aanlopen, is geen innovatiebeleid – laat staan ambitieus innovatiebeleid. Daarvoor hoeft er niet altijd meer geld bij: betere, werkbare voorwaarden maken soms al een wereld van verschil.
Een slagvaardige Taskforce?
En dan de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Die kan misschien wel belangrijker worden dan de afzonderlijke potten geld, wanneer deze genoeg slagkracht krijgt.
Het ministerie van EZK kan financieringsinstrumenten bouwen en innovatiebeleid maken, maar niet in haar eentje zorgen voor een sterk biotechklimaat. Daar hebben ook andere ministeries een belangrijke rol in: zoals I&W voor werkbare regelgeving en vergunningen, LVVN voor betere regels rondom voedselinnovaties en VWS om zijn rol in de zorg te benutten om innovaties sneller bij patiënten te krijgen.
Precies daarom is de Taskforce interessant: meerdere ministeries moeten samen barrières doorbreken rond onder andere innovatie, talent en vestigingsklimaat. Maar net als bij de uitvoeringsagenda van de Integrale Visie Biotechnologie ziet hollandbio nog weinig beweging op bijvoorbeeld markttoegang. En wil je echt private investeringen in R&D en opschaling aanjagen, dan moet er zicht zijn op een rendement.
De Taskforce is daarom een goede eerste stap. De lakmoesproef komt de komende tijd rond de vraag of de ministeries en bewindspersonen erin slagen samen te werken aan het gezamenlijk verbeteren van de randvoorwaarden in voor Nederland belangrijke sectoren. De biotech sector staat te popelen om hier samen met de overheid werk van te maken.
Van plannenproductie naar echte uitvoering
Alles bij elkaar staat biotech nadrukkelijker op de Nederlandse kaart. NADI, NII en de nieuwe Groeifondsronde kunnen belangrijke gaten in het financieringslandschap helpen dichten. En dat toekomstige welvaart interdepartementaal aandacht krijgt, is winst. Voor biotech vraagt dat om een aanpak door de hele keten willen we succes behalen: van kennis, valorisatie en financiering tot talent, regelgeving, productie, markttoegang en opschaling. Blokkeert één van deze schakels, dan komt die briljante innovatie alsnog niet vooruit.
Tijd dus om van woorden naar daden te gaan. Niet nóg een analyse van wat er misgaat, maar beginnen met oplossen wat we allang weten. Slecht die departementale grenzen, maak stappen vooruit onder gezamenlijke verantwoordelijkheid. En randvoorwaarden waarmee onze knappe koppen niet alleen iets briljants kunnen bedenken, maar het hier ook kunnen ontwikkelen, financieren, produceren, naar de markt brengen én opschalen. Dán beginnen de economische motoren pas echt te ronken.
Belangrijk signaal van een zorgverzekeraar: volgens CZ-bestuursvoorzitter Joep de Groot gaat het in het zorgdebat te snel over geld en te weinig over welke vraag we nu eigenlijk op proberen te lossen. Bij zijn oproep dat de landelijke politiek het vraagstuk ‘(gezondheids)zorg’ in de volle breedte moet bekijken, sluiten we ons als hollandbio graag aan. Ook wij vragen ons namelijk meer en meer af of we überhaupt nog wel de goede dingen doen – of toch vooral bezig zijn om in afzondering (silo’s) dingen goed te doen. Zoals een mooie Engelse uitdrukking gaat: you can’t iterate on a burning platform.
Wat heb je nodig wanneer je ziek wordt?
Ons huidige zorgsysteem is gebouwd in en voor een andere tijd, met minder patiënten, minder behandelmogelijkheden en minder kennis over individuele verschillen. Nu kunnen we – onder meer dankzij vooruitgang in de biotech – ziektes steeds beter opsporen en behandelingen afstemmen op wat de individuele patiënt nodig heeft. Deze nieuwe werkelijkheid vraagt om een nieuwe aanpak en juist daarover zou het gesprek in hollandbio’s optiek óók moeten gaan. Niet enkel in silo’s innoveren, maar juist de wijze waarop we dat doen eens goed tegen het licht houden. En ja, dat is spannend, maar ja, het is ook broodnodig, zoals de steeds verder spaaklopende toegang tot innovaties laat zien. Laten we daarom onze gezondheid weer centraal stellen in de zorg. Wij gaan graag in gesprek over hoe we onze doktertas nu en in de toekomst zo goed mogelijk kunnen vullen. Want het is hoog tijd om te investeren in gezondheid op maat.
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Dina Diekhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgDina Diek2026-09-22 15:07:572026-09-22 15:08:04Het zorgdebat gaat te snel over geld en te weinig over keuzes← #nieuws
Nederland dreigt de wettelijk verankerde klimaatdoelen voor 2030, 2040 en 2050 niet te halen. Dat blijkt uit de nieuwste Klimaat en Energieverkenning, waarin het Planbureau voor de Leefomgeving concludeert dat het huidige klimaatbeleid onvoldoende is om de noodzakelijke emissiereducties te realiseren. Ook de Raad van State (RvS) stelt dat het halen van die doelen meer vraagt dan alleen het optimaliseren van bestaande systemen. Klimaatneutraliteit vraagt volgens de RvS ook om nieuwe manieren van produceren, consumeren en omgaan met grondstoffen, én om beleid dat ervoor zorgt dat nieuwe oplossingen daadwerkelijk hun weg vinden naar de samenleving.
Opschaling en toepassing van slimme oplossingen loopt te vaak mis
Aan slimme oplossingen gelukkig geen gebrek. Binnen én buiten de biotech werken knappe koppen volop aan innovaties die kunnen bijdragen aan een wereld mét toekomst. Denk aan biobased materialen die fossiele grondstoffen vervangen, nieuwe voedingsmiddelen die vriendelijker zijn voor dier en planeet of gewassen die beter bestand zijn tegen droogte en andere gevolgen van klimaatverandering.
Toch gaat het volgens de RvS bij het opschalen en toepassen van deze oplossingen mis. Nog te vaak lopen innovatieve bedrijven tegen bekende barrières aan, zoals beperkte toegang tot financiering, complexe vergunningprocedures en een gebrek aan ondersteuning bij de stap van startup naar scale-up. Daardoor blijven veel veelbelovende innovaties hangen in pilots, demonstratieprojecten of kleinschalige productie of duurt de stap van technologie naar grootschalige toepassing vaak veel langer dan nodig zou moeten zijn.
Innovatieve producten die de markt halen betreden een ongelijk speelveld
En zelfs als innovatieve producten de markt bereiken, ziet de RvS, is succes niet vanzelfsprekend. Consumenten kiezen uiteindelijk namelijk alleen voor klimaatvriendelijke producten als ze ook betaalbaar, aantrekkelijk en gebruiksvriendelijk zijn. Klimaatvriendelijke innovaties concurreren daardoor nog vaak met de fossiele industrie en conventionele landbouw, waarbinnen producten al jarenlang volledig zijn opgeschaald en kosten zijn geoptimaliseerd. Dat maakt het voor nieuwe oplossingen lastig om door te breken, ook wanneer ze aantoonbaar beter zijn voor mens, dier en planeet.
Dus is het volgens de RvS belangrijk dat de overheid voorwaarden creëert waarin toekomstbestendige oplossingen wél kunnen opschalen en hun weg vinden naar de samenleving. Door bijvoorbeeld ruimte te maken voor innovatieve bedrijvigheid, startups te helpen doorgroeien naar scale-ups, markten te openen voor klimaatvriendelijke alternatieven en een gelijk speelveld te creëren via normeringen, publieke inkoop en prijsprikkels, kunnen klimaatvriendelijke keuzes uitgroeien tot vanzelfsprekende keuzes. Want pas wanneer innovatieve producten de stap kunnen maken van lab naar schap en van niche naar nieuwe standaard, kunnen zij de impact maken die nodig is om Nederland klimaatneutraal te maken.
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Dina Diekhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgDina Diek2026-09-22 14:36:452026-09-22 14:41:10Klimaatdoelen vragen om opschaling en toepassing van toekomstbestendige oplossingen← #nieuws
Hollandbio connects, represents and supports the Dutch biotech sector. With more than 290 members – from start-ups and scale-ups to established companies active in health, food and the biobased economy – we work together to strengthen the Dutch life sciences ecosystem. Today, we are pleased to welcome Simon-Kucher as our newest member. Simon-Kucher is a global consultancy focused on unlocking better growth through commercial strategy, pricing, market access, innovation, marketing, and sales.
“For over 40 years, we have been a trusted advisor to the life sciences industry, working with pharmaceutical and biotech companies at all stages of development to translate scientific innovation into sustainable commercial success. Our teams bring deep life sciences expertise and a holistic commercial perspective to critical decisions around asset and portfolio strategy, value optimization, launch, and commercial excellence.”
“With nearly 2,200 employees across 45 offices in 32 countries, Simon-Kucher has a strong global presence. Our life sciences practice includes over 450 professionals based in29 offices in Europe, the United States, Latin America, China, Japan, and the Middle East. This network enables us to combine global experience with deep local market knowledge, supporting international launch strategies and market-specific approaches in key markets such as the US.”
“By joining Hollandbio, we aim to deepen our connections within the Dutch biotech ecosystem and contribute to the dialogue on key commercial questions shaping the industry today. Key areas include commercialization and pricing strategy, evolving market access policies such as MFN, AI in healthcare, as well as partnering and transaction strategy, and commercial due diligence for biotech leaders and investors. We look forward to exchanging ideas with hollandbio members and being a trusted partner to Dutch innovators as they turn promising science into successful businesses and better outcomes for patients.”
Meet the leadership team:
Eline Hendriksen-Middelburg, Director specializing in pricing, market access, strategy and commercial excellence for pharma and biotech.
Greta Mitzam, Director specializing in strategy, pricing, and commercial excellence across consumer health, animal health, and medtech.
Dirk Kars, Senior Partner (supporting & advising the Life Sciences Amsterdam team, based in Cologne, Germany), specializing in market access strategies, international pricing, contracting, and marketing for pharma and biotech.
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Dina Diekhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgDina Diek2026-09-22 14:09:182026-09-22 14:09:22Hollandbio welcomes Simon-Kucher as a new member← #nieuws
On 14 September, hollandbio joined a diverse group of biotech leaders for a roundtable discussion with EIC President Michiel Scheffer. The conversation, hosted by biotech company Khondrion in Nijmegen, focused on a key question: how can Europe build the next generation of biotech frontrunners?
Khondrion is dedicated to developing treatments for mitochondrial diseases, a group of often fatal rare diseases that can manifest at a very young age and for which no treatment currently exists that can slow the underlying disease process or its progression. Frank Alsemgeest left the room in silence as he shared what this means for families like his own: his son Robbe passed away at the age of three due to a mitochondrial disease.
Founder Jan Smeitink has independently guided the company from an academic concept to Phase III clinical development, a rare achievement within the Dutch biotech ecosystem. Yet bringing this innovation through the final stages of development and ultimately to patients requires tens of millions of euros in additional funding.
For Khondrion and other translational biotech frontrunners, such funding is far from readily available, especially in Europe. The challenge concerns a rare disease within a largely unexplored therapeutic field, despite an undeniable medical need. Every step from laboratory to patient is uncharted territory and must be designed and validated from scratch, from animal models and biomarkers to clinical endpoints. These pioneers often find themselves trapped in a “circle of wait and see,” where public and private investors, as well as pharmaceutical companies, follow developments with great interest, while waiting for someone else to make the first move. In the meantime, precious time is lost.
The status quo is all too familiar: Europe excels at generating world-class scientific discoveries and start-ups, yet struggles to scale them and capture their economic and societal value. The reason is simple: almost every key condition for biotech innovation is better organised elsewhere in the world.
The roundtable, moderated by biotech pioneer Ronald Brus, focused on precisely this challenge: how can we ensure that biotech frontrunners succeed in Europe rather than seeking opportunities abroad? Such as in the United States, where capital is significantly more abundant and investors have a greater appetite for risk. Or in China, where development can move at remarkable speed and, for now, at a fraction of the cost. Or South Korea, which has deliberately rolled out the red carpet for biotech innovation and is currently reaping the rewards.
The discussion made one thing clear: there is no silver bullet. Success requires an integrated approach. This includes fostering a more entrepreneurial culture, better aligning existing funding instruments and conditions with the unique characteristics of biotech innovation, and unlocking greater pools of capital, including pension fund investments and more attractive conditions for European IPOs. Equally important are faster and simpler regulatory pathways and an attractive market environment. Several ongoing European initiatives, such as the Biotech Act and the Capital Markets Union, provide valuable opportunities to strengthen these critical framework conditions.
The European Innovation Council (EIC), through its broad range of funding instruments that biotech companies already rely on extensively, plays a pivotal role in this. However, it is essential that public investors, including the EIC and national institutions such as Invest-NL, align more closely with the realities and needs of translational biotech frontrunners. For example, by offering greater support for later development stages and by taking a broader view of private investors, they can play a crucial role in mobilising and unlocking the patient, long-term capital these companies require.
By creating the right conditions, Europe can give its translational biotech frontrunners the momentum they need to succeed and ensure that European patients are among the first to benefit from the treatments they and their loved ones have been waiting for for so long.
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Dina Diekhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgDina Diek2026-09-15 17:19:412026-09-15 17:19:47From wait and see to fund and lead: A roundtable on financing Europe’s biotech frontrunners
To launch or not to launch, is de vraag
Gezondheid op maat, Gezondheid, UitgelichtHollandbio waarschuwde al eerder voor de mogelijk verstrekkende impact van de herziene farmaceutische wetgeving die recent officieel werd aangenomen. Misschien wel bovenaan onze zorgenlijst staat Artikel 59: de lanceerverplichting, die, zeker in de huidige geopolitieke context, explosieve gevolgen kan hebben.
Geen launch binnen drie jaar? Da’s pech, regulatoire marktbescherming weg
De lanceerverplichting (Artikel 59) is – op papier – gericht op het verbeteren van beschikbaarheid en leveringszekerheid van nieuwe geneesmiddelen in elke Europese lidstaat. Volgens de bepaling kunnen individuele lidstaten marktvergunningshouders verzoeken om binnen één jaar na verlening van een Europese handelsvergunning ofwel een geldige aanvraag voor prijsstelling en vergoeding in te dienen, deel te nemen aan nationale aanbestedingsprocedures, of met de betreffende lidstaat tot een roll-out plan voor levering van het geregistreerde product te komen. Voldoet de vergunninghouder binnen drie jaar niet aan dit verzoek, dan vervalt de regulatoire marktbescherming in dat land.
Europa rijkelijk naïef in wereldwijde handelsoorlog
Het zal voor velen geen nieuws zijn, maar onze sector bevindt zich temidden van een geopolitiek schaakspel dat zijn weerga niet kent. Europa heeft daarin een aantal troeven, zoals sterke wetenschap, innovatieve start-ups en fantastisch talent. Helaas kent het Europese biotech ecosysteem ook fikse zwakke plekken: de beschikbaarheid van kapitaal om te schalen en te commercialiseren, ingewikkelde, tijdrovende en kostbare routes voor markttoelating, en, wellicht de zwakste plek: een totaal gefragmenteerde afzetmarkt en beperkte betalingsbereidheid voor innovatie. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, wereldleider in investeringen in biotech innovatie én bovendien de aantrekkelijkste markt voor geneesmiddelen.
Daar willen de VS nu wat voor terug: met Trumps handelstarieven en Most-Favorite-Nation (MFN) beleid van globale referentieprijzen, streven de VS naar een eerlijkere verdeling van de wereldwijde rekening voor innovatie, en bovendien om zo veel mogelijk (productie)schakels van de biotech keten naar eigen territorium te trekken. Het stelt biotech bedrijven voor een duivels dilemma: wanneer zij producten in Europa lanceren, lopen zij het risico hun omzet in de VS, by far de belangrijkste afzetmarkt, te zien teruglopen.
Explosiegevaar: bommetje onder biotechbeleid
Juist in deze geopolitieke context is de lanceerverplichting een bijzonder explosieve wetgevende passage. Want waar het nu meer dan ooit nodig is om een gezamenlijke Europese vuist te maken, en te zorgen voor een sterkere, minder gefragmenteerde Europese afzetmarkt voor innovatieve geneesmiddelen, geeft artikel 59 lidstaten juist alle ruimte om nog meer individuele eisen te stellen aan bedrijven en de fragmentatie te vergroten. En tot overmaat van ramp kiest Europa niet voor de wortel, maar voor de stok: met het verliezen van marktbescherming morrelt Europa aan het fundament van het wereldwijde systeem van biotech innovatie.
Maatregel waarschijnlijk niet doeltreffend
Al staat er rondom artikel 59 nog veel open, hollandbio vreest dat Europa haar hand hier fiks overspeelt. In het huidige geopolitieke geweld is het aannemelijker dat meer fabrikanten af gaan zien van registratie in Europa, dan dat de lanceerverplichting bij gaat dragen aan de beoogde verbetering van beschikbaarheid en leveringszekerheid van innovatieve geneesmiddelen. Je kunt immers wel eisen stellen, maar een bedrijf moet ook kunnen en willen leveren. Dat doen ze doorgaans als eerst daar waar dit financieel het meest loont.
Een doemscenario dreigt: Europa krijgt pas toegang tot innovatieve medicijnen als ze niet meer innovatief zijn, wanneer generieken en biosimilars hun intrede doen. En of de markt nog wel aantrekkelijk genoeg is voor generieken en biosimilars, is dan nog maar de vraag. De aanhoudende race naar de bodem van het generieke prijsbeleid, doet vrezen.
Gelukkig zijn niet alle lidstaten enthousiast over artikel 59, en biedt de passage juist door zijn opzet nog volop ruimte voor eigen invulling bij de implementatie. Het Nederlandse kabinet lijkt zich bewust van de risico’s van dit artikel, getuige ook de beantwoording van vragen die uit dit eerdere Schriftelijk Overleg, waarin de regering zich sceptisch uitlaat over de doeltreffendheid van het concept lanceerverplichting. Het Nederlandse perspectief is er echter slechts één van de 27, en het is nog niet duidelijk hoe andere lidstaten in de wedstrijd zitten. Bij hollandbio zijn we er in ieder geval nog bepaald niet gerust op…
Zorg voor vruchtbare voedingsbodem bij uitwerking NGT-regels
Wereld mét toekomst, Voedsel en materialen, UitgelichtEuropa heeft met de nieuwe NGT-verordening een belangrijke stap gezet richting toekomstbestendige landbouw. Maar met alleen een mooi wettelijk kader zijn we er nog niet. Of onderzoekers, veredelaars en biotechbedrijven straks écht met deze slimme veredelingstechnieken aan de slag kunnen, hangt nog af van de praktische uitwerking van de regels. Daarom diende hollandbio input in op de uitvoeringsregels voor zowel categorie 1- als categorie 2-NGT-planten. Onze boodschap richting de Europese Commissie: zorg voor werkbare procedures en voorkom dat onnodige informatieverplichtingen, technisch onhaalbare detectie-eisen en ellenlange procedures innovatie alsnog de pas afsnijden.
Zelfde gewassen, maar dan beter
Met nieuwe genomische technieken, zoals CRISPR-Cas, kunnen veredelaars sneller, preciezer en efficiënter werken aan gewassen die beter bestand zijn tegen ziekten, plagen, droogte en hitte, bijvoorbeeld omdat zij efficiënter om kunnen gaan met water en voedingsstoffen of een verbeterde voedingswaarde krijgen. Stuk voor stuk oplossingen waar onze landbouw, voedselvoorziening en planeet om zitten te springen.
De nieuwe Europese verordening maakt daarbij onderscheid tussen twee categorieën. Categorie 1 omvat planten met genetische aanpassingen die ook van nature of via conventionele veredeling zouden kunnen ontstaan. Voor deze planten komt een vereenvoudigde verificatieprocedure. Categorie 2 omvat planten met andere NGT-aanpassingen. Voor deze categorie blijven aangepaste procedures voor risicobeoordeling, notificatie en markttoelating gelden.
De Europese Commissie werkt nu de regels en informatievereisten voor beide categorieën verder uit. De manier waarop deze procedures worden ingericht, bepaalt of de nieuwe verordening daadwerkelijk deuren opent, of innovatie door nieuwe bureaucratische hindernissen opnieuw voor een dichte deur komt te staan. In onze inbrengen (voor categorie 1 hier en voor categorie 2 hier te vinden) formuleren we aandachtspunten voor werkbare NGT-regels.
Kijk naar de plant, niet naar de route ernaartoe
Categorie 1-NGT-planten zijn vergelijkbaar met planten die van nature of via conventionele veredeling kunnen ontstaan. De verificatie hoort daarom maar één vraag te beantwoorden: voldoet de uiteindelijke plant aan de vastgestelde criteria?
Wat hollandbio betreft, moet de beoordeling zich richten op het eindresultaat. Tijdelijke tussenstappen en genetische elementen die tijdens de ontwikkeling zijn gebruikt, maar niet meer in de uiteindelijke plant aanwezig zijn, horen de juridische status van die plant niet te bepalen. Alleen de beoogde NGT-aanpassingen die daadwerkelijk in de uiteindelijke plant aanwezig zijn, moeten worden meegeteld.
De verificatie mag al helemaal niet via de achterdeur veranderen in een nieuwe risico- of toelatingsprocedure. Dat zou haaks staan op het uitgangspunt van de verordening en opnieuw onnodige kosten, vertraging en onzekerheid veroorzaken.
Geen genetische speld in een hooiberg zoeken
Ook de bewijsvoering voor categorie 1 moet proportioneel blijven. Veredelaars en onderzoekers moeten met passende wetenschappelijke methoden kunnen aantonen dat een plant aan de criteria voldoet. Een verplichte standaardroute of rigide checklist past daar niet bij.
Whole-genome sequencing mag daarom geen standaardvereiste worden. Zo’n verplichting zou ertoe kunnen leiden dat iedere aangetroffen genetische variant moet worden verklaard, terwijl variatie ook van nature, tijdens weefselkweek en bij conventionele veredeling ontstaat. Daarmee dreigt de verificatie een zoektocht te worden naar een genetische speld in een hooiberg, zonder dat dit nodig is om de categorie 1-status vast te stellen.
De informatievereisten moeten bovendien werkbaar zijn voor de volle breedte van het biotech-ecosysteem, van start-ups en mkb-bedrijven tot gevestigde veredelaars en publieke onderzoeksinstellingen. Ook ontwikkelaars van kleinere of minder commercieel geteelde gewassen mogen niet worden buitengesloten doordat voor hun gewas minder genomische informatie beschikbaar is.
Zorg voor eén Europees speelveld
Eén Europese verordening vraagt om één Europese uitleg. Wanneer iedere lidstaat eigen informatievereisten, telmethoden of aanvullende beperkingen kan introduceren, ontstaat alsnog een nationale hindernisbaan. Hollandbio pleit er daarom voor dat lidstaten geen aanvullende nationale eisen kunnen toevoegen aan de verordening.
Geef onderzoek en veldproeven de ruimte
Een belangrijk aandachtspunt in onze categorie 1-inbreng is de positie van onderzoek en ontwikkeling. In een vroege onderzoeksfase testen ontwikkelaars vaak verschillende aanpassingen, om vervolgens via selectie tot een uiteindelijke plant te komen die binnen de categorie 1-criteria valt.
Het moet daarom praktisch mogelijk blijven om experimentele lijnen met meer dan twintig aanpassingen in veld- en kasproeven te onderzoeken. Als ieder tussenstadium door een zware toelatingsprocedure moet, worden juist de experimenten geblokkeerd die nodig zijn om geschikte categorie 1-planten te ontwikkelen.
Wanneer zulke proeven alleen onder het volledige bestaande ggo-kader kunnen plaatsvinden en vroege verificatie tegelijkertijd openbaarmaking van concurrentiegevoelige onderzoeksinformatie vraagt, wordt onderzoek buiten Europa ineens een stuk aantrekkelijker. Dat is precies het tegenovergestelde van wat Europa nodig heeft. We willen innovatie hier mogelijk maken, niet haar met zorgvuldig opgetuigde regels de grens over jagen.
Eenmaal categorie 1, blijvend categorie 1
Ook na verificatie moet er duidelijkheid zijn. Een plant die als categorie 1 is geverifieerd, moet vervolgens net als conventioneel uitgangsmateriaal in verdere veredelingsprogramma’s kunnen worden gebruikt.
Eerder beoordeelde aanpassingen mogen bij volgende kruisingen niet telkens opnieuw worden geteld of beoordeeld. Dat geldt ook voor nakomelingen van planten die afzonderlijk al als categorie 1 zijn geverifieerd. Alleen wanneer daarna een nieuwe NGT-toepassing plaatsvindt, horen de nieuw geïntroduceerde aanpassingen te worden bekeken.
Zonder zo’n duurzame status blijft het gebruik van categorie 1-planten in de praktijk onnodig ingewikkeld. Mét die duidelijkheid kunnen veredelaars daadwerkelijk voortbouwen op eerdere innovaties, precies zoals dat bij conventionele veredeling gebeurt.
Laat de regels ook voor categorie 2 het verschil maken
Ook voor categorie 2-planten geldt dat de nieuwe regels alleen verschil maken als de procedures daadwerkelijk slimmer worden ingericht.
Hollandbio pleit uiteindelijk voor een bredere modernisering van het Europese ggo-kader. Regelgeving zou moeten kijken naar de veiligheid en eigenschappen van het uiteindelijke product, in plaats van naar de technologie waarmee dat product is ontwikkeld. Voor categorie 2-NGT-planten moet de beoordeling daarom wetenschappelijk onderbouwd, proportioneel, voorspelbaar en praktisch uitvoerbaar zijn.
Als aanvragen voor categorie 2-planten terechtkomen in dezelfde langdurige, onzekere en politiek gevoelige procedures die de teelt en marktintroductie van ggo-gewassen in Europa al decennialang praktisch onmogelijk maken, dan levert de nieuwe wetgeving niet de beloofde vooruitgang. Een nieuw wettelijk etiket op een oude procedure is niet genoeg.
Het doel moet zijn om de veiligheid van een product zorgvuldig en op basis van wetenschappelijk bewijs te beoordelen. Niet om innovatie vast te laten lopen in een administratief doolhof waaruit zelfs veilige en waardevolle producten niet meer ontsnappen.
Tijd om door te pakken
Europa heeft met de nieuwe NGT-verordening een belangrijke keuze gemaakt voor innovatie. Nu is het zaak die vooruitgang niet alsnog te smoren in een wirwar van bewijsvereisten, nationale verschillen, politiek gevoelige procedures en technisch onhaalbare voorwaarden.
De verordening wordt vanaf 17 juli 2028 van toepassing. Voor die tijd moeten de uitvoeringsregels en bijbehorende richtsnoeren klaar zijn. Hollandbio pleit voor regels die helder, geharmoniseerd, proportioneel en toekomstbestendig zijn. Regels die veiligheid en wetenschappelijke kwaliteit als uitgangspunt nemen, maar ook erkennen hoe onderzoek, plantenveredeling en productontwikkeling in de praktijk werken.
Want alleen wanneer veredelaars en biotechbedrijven slimme veredelingstools daadwerkelijk kunnen gebruiken, kunnen betere gewassen sneller bijdragen aan duurzame landbouw, voedselzekerheid, klimaatadaptatie en een concurrerend Europa.
Strategische biotech verdient passende financiering
InnovatieklimaatEuropa heeft biotech terecht uitgeroepen tot strategische sector en investeert via publieke financieringsprogramma’s als Horizon Europe dan ook volop om onderzoek richting de markt te helpen. Toch leiden meer investeringen helaas nog niet direct tot meer biotech groei, laat een analyse van tien jaar Horizon-grants zien, uitgevoerd door het Centre for Future Generations (CFG). De huidige subsidie-instrumenten zijn volgens het CFG grotendeels ontworpen voor technologieën die relatief snel van onderzoek naar markt gaan. Innovatieve biotech bedrijven hebben daarentegen juist vaak te maken met lange ontwikkeltrajecten, hoge kapitaalbehoeften en complexe opschalingsvraagstukken. Daardoor zijn de beschikbare subsidies regelmatig onvoldoende voor hen om de volgende technische, klinische of commerciële mijlpaal te bereiken. Lees meer
Niet aansluiten op behoeften is gemiste kans
Het onderzoek laat zien dat een groot deel van het Horizon-biotechbudget op dit moment terechtkomt bij grotere consortia en bedrijven binnen concernstructuren. Hoewel mkb-bedrijven 85% van de biotechontvangers vormen, ontvangen zij slechts 22% van de beschikbare financiering. Dat is een gemiste kans. Juist zelfstandige biotech-SME’s laten volgens het CFG na een Horizon-subsidie een omzetgroei van bijna 25% zien, terwijl dat effect bij bedrijven binnen grotere groepen uitblijft. De onderzoekers concluderen daarom dat niet alleen de hoogte van de financiering telt, maar vooral de aansluiting op de behoeften van innovatieve biotechbedrijven.
Strategische financiering is meer dan geld
Het is een conclusie die hollandbio alleen maar kan onderschrijven. Strategische biotech vraagt om strategische financiering: niet alleen meer geld, maar ook passende tickets, continuïteit tussen instrumenten en financiering die daadwerkelijk terechtkomt waar die het verschil maakt. En natuurlijk moet ook het bredere innovatieklimaat kloppen, benadrukt het rapport terecht. Zeker voor industriële biotech zijn ook gedeelde opschalingsinfrastructuur én een markt voor innovatieve producten nodig. Anders financieren we mooie projecten, maar bouwen we nog geen sterke biotech sector.
Nederland maakt meer proeverijen kweekvlees en -vis mogelijk
Wereld mét toekomst, Voedsel en materialen, UitgelichtHoera! Het kabinet heeft met deze Kamerbrief bekendgemaakt dat zij de mogelijkheid voor proeverijen met twee jaar verlengt voor kweekvlees en -vis die nog geen Europese Novel Foods goedkeuring hebben ontvangen. Bovendien krijgen Nederlandse opschalingsfaciliteiten zoals Cultivate at Scale nu ook de ruimte om voor hun klanten proeverijen te organiseren. Lees meer
De proeverijen werden twee jaar geleden opgezet door de ministeries van LVVN en VWS in samenwerking met bedrijven, hollandbio en Cellulaire Agricultuur Nederland. In de tussentijd hebben twee bedrijven in totaal vijf proeverijen georganiseerd en heeft Wageningen Food & Biobased Research (WFBR) een evaluatie uitgevoerd, waarvan de aanbevelingen in het vernieuwde protocol voor de proeverijen zijn opgenomen.
Hollandbio is blij dat we samen met ministeries, bedrijven en andere organisaties tot de vernieuwde proeverijen zijn gekomen. Hiermee brengen we deze producten weer een stapje dichter bij de markt.
Tweede Kamer maakt werk van vaccinatie voor volwassenen
GezondheidTijdens de Algemene Politieke Beschouwingen vorige week maakte de Tweede Kamer werk van ouderenvaccinatie. Met een breed gesteunde motie van fractievoorzitters Struijs (50Plus) en Paternotte (D66) draagt de Kamer het kabinet op het RIVM nog voor de Voorjaarsnota een verkenning te laten uitvoeren naar een Rijksvaccinatieprogramma voor 60-plussers. Daarmee grijpt de Kamer precies het knelpunt aan waar hollandbio al langer op wijst: een samenhangende aanpak kan helpen om vaccinaties tegen onder meer griep, corona, pneumokokken, gordelroos en mogelijk RSV toegankelijker en duidelijker te organiseren. En dat is broodnodig, want ons stelsel is nog altijd een lappendeken, om de woorden van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) maar weer eens aan te halen. Vaccinaties zijn namelijk nog altijd versnipperd geregeld, waardoor niet altijd helder is wat waar, wanneer, door wie en tegen welke kosten beschikbaar is. Een Rijksvaccinatieprogramma voor volwassenen zou wat ons betreft een ontzettend welkome aanvulling zijn op het Rijksvaccinatieprogramma voor kinderen. Bovendien zou het perfect passen in de visie op vaccinatie van 0-100+, waar in de beleidskringen ook nog volop aan gewerkt wordt. Met deze motie ligt er nu een stevige politieke opdracht vanuit de samenleving om daar nu eens echt werk van te maken.
Kabinetsplannen Economische Zaken: start met knaken én kansrijke kaders voor knappe koppen
IJzersterk innovatieklimaat, InnovatieklimaatBiotech stond voor het eerst in de Troonrede, er komen miljarden voor innovatie en doorgroei en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat zet life sciences & biotechnologie nadrukkelijk op de kaart. Na jaren van rapporten, agenda’s en goede bedoelingen lijkt Den Haag eindelijk de motoren te starten. Maar tankt het kabinet ook voldoende brandstof om echt van z’n plaats te komen?
Miljarden voor innoveren, groeien en opschalen
Om met het goede nieuws te beginnen, voor biotechondernemers liggen er nieuwe kansen in het verschiet. Het kabinet zet drie financieringsinstrumenten naast elkaar:
Met NADI, de nieuwe ronde van het Groeifonds en de NII zet het kabinet stappen richting iets waar hollandbio al jaren om vraagt: passende financiering van innovatie tot opschaling.
Positief is bovendien dat NADI als zelfstandige beleidsdeelneming wordt ingericht, juist om autonomie en slagvaardigheid te organiseren. Hollandbio ziet dat afstand tot de dagelijkse politiek belangrijk is, want innovatie vraagt een lange adem. Wie investeringen voor morgen wil doen, moet voorkomen dat ze bij de politieke waan van vandaag weer worden ingehaald.
De bedragen zijn serieus, maar de investeringsbehoefte voor technologie, innovatie en groei is nog veel groter en breder dan alleen biotech. Het is dus geen eindstation, al is het wel een welkome stap vooruit. En investeren in innovatie? Dat juicht hollandbio natuurlijk van harte toe.
Computer says no is geen innovatiebeleid
Ook fiscaal beweegt er wat. De innovatiebox wordt vanaf 2027 toegankelijker voor het MKB en de WBSO-tarieven blijven in 2027 gelijk. Minder goed nieuws is er voor vroege biotechbedrijven die nog te weinig loonheffing afdragen om hun volledige WBSO-voordeel te verzilveren. De voorgestelde carry forward, waarmee startups ongebruikte WBSO later zouden kunnen benutten, komt er voorlopig niet vanwege uitvoeringsproblemen en onduidelijkheid over de meerwaarde.
Computer says no is wat hollandbio betreft geen innovatiebeleid. Als een effectief instrument niet goed aansluit bij jonge, R&D-intensieve bedrijven, moet de vraag niet alleen zijn waarom uitvoering lastig is, maar vooral hoe we het wél werkend krijgen.
Europa beweegt niet? Beweeg zelf
Diezelfde houding missen we bij de OiM-problematiek. Europese staatssteunregels kunnen innovatieve bedrijven op cruciale momenten in hun ontwikkeling beperken. Tijdens het Tweeminutendebat Innovatie van 3 september drongen Kamerleden er opnieuw op aan om niet alleen in Brussel te zoeken naar meer ruimte, maar ook te kijken wat Nederland zelf kan doen.
Dat vindt hollandbio terecht. Natuurlijk moeten Europese regels beter aansluiten bij de realiteit van innovatieve bedrijven. Maar wachten tot Brussel beweegt terwijl biotechbedrijven nú tegen grenzen aanlopen, is geen innovatiebeleid – laat staan ambitieus innovatiebeleid. Daarvoor hoeft er niet altijd meer geld bij: betere, werkbare voorwaarden maken soms al een wereld van verschil.
Een slagvaardige Taskforce?
En dan de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Die kan misschien wel belangrijker worden dan de afzonderlijke potten geld, wanneer deze genoeg slagkracht krijgt.
Het ministerie van EZK kan financieringsinstrumenten bouwen en innovatiebeleid maken, maar niet in haar eentje zorgen voor een sterk biotechklimaat. Daar hebben ook andere ministeries een belangrijke rol in: zoals I&W voor werkbare regelgeving en vergunningen, LVVN voor betere regels rondom voedselinnovaties en VWS om zijn rol in de zorg te benutten om innovaties sneller bij patiënten te krijgen.
Precies daarom is de Taskforce interessant: meerdere ministeries moeten samen barrières doorbreken rond onder andere innovatie, talent en vestigingsklimaat. Maar net als bij de uitvoeringsagenda van de Integrale Visie Biotechnologie ziet hollandbio nog weinig beweging op bijvoorbeeld markttoegang. En wil je echt private investeringen in R&D en opschaling aanjagen, dan moet er zicht zijn op een rendement.
De Taskforce is daarom een goede eerste stap. De lakmoesproef komt de komende tijd rond de vraag of de ministeries en bewindspersonen erin slagen samen te werken aan het gezamenlijk verbeteren van de randvoorwaarden in voor Nederland belangrijke sectoren. De biotech sector staat te popelen om hier samen met de overheid werk van te maken.
Van plannenproductie naar echte uitvoering
Alles bij elkaar staat biotech nadrukkelijker op de Nederlandse kaart. NADI, NII en de nieuwe Groeifondsronde kunnen belangrijke gaten in het financieringslandschap helpen dichten. En dat toekomstige welvaart interdepartementaal aandacht krijgt, is winst. Voor biotech vraagt dat om een aanpak door de hele keten willen we succes behalen: van kennis, valorisatie en financiering tot talent, regelgeving, productie, markttoegang en opschaling. Blokkeert één van deze schakels, dan komt die briljante innovatie alsnog niet vooruit.
Tijd dus om van woorden naar daden te gaan. Niet nóg een analyse van wat er misgaat, maar beginnen met oplossen wat we allang weten. Slecht die departementale grenzen, maak stappen vooruit onder gezamenlijke verantwoordelijkheid. En randvoorwaarden waarmee onze knappe koppen niet alleen iets briljants kunnen bedenken, maar het hier ook kunnen ontwikkelen, financieren, produceren, naar de markt brengen én opschalen. Dán beginnen de economische motoren pas echt te ronken.
Het zorgdebat gaat te snel over geld en te weinig over keuzes
GezondheidBelangrijk signaal van een zorgverzekeraar: volgens CZ-bestuursvoorzitter Joep de Groot gaat het in het zorgdebat te snel over geld en te weinig over welke vraag we nu eigenlijk op proberen te lossen. Bij zijn oproep dat de landelijke politiek het vraagstuk ‘(gezondheids)zorg’ in de volle breedte moet bekijken, sluiten we ons als hollandbio graag aan. Ook wij vragen ons namelijk meer en meer af of we überhaupt nog wel de goede dingen doen – of toch vooral bezig zijn om in afzondering (silo’s) dingen goed te doen. Zoals een mooie Engelse uitdrukking gaat: you can’t iterate on a burning platform.
Wat heb je nodig wanneer je ziek wordt?
Ons huidige zorgsysteem is gebouwd in en voor een andere tijd, met minder patiënten, minder behandelmogelijkheden en minder kennis over individuele verschillen. Nu kunnen we – onder meer dankzij vooruitgang in de biotech – ziektes steeds beter opsporen en behandelingen afstemmen op wat de individuele patiënt nodig heeft. Deze nieuwe werkelijkheid vraagt om een nieuwe aanpak en juist daarover zou het gesprek in hollandbio’s optiek óók moeten gaan. Niet enkel in silo’s innoveren, maar juist de wijze waarop we dat doen eens goed tegen het licht houden. En ja, dat is spannend, maar ja, het is ook broodnodig, zoals de steeds verder spaaklopende toegang tot innovaties laat zien. Laten we daarom onze gezondheid weer centraal stellen in de zorg. Wij gaan graag in gesprek over hoe we onze doktertas nu en in de toekomst zo goed mogelijk kunnen vullen. Want het is hoog tijd om te investeren in gezondheid op maat.
Klimaatdoelen vragen om opschaling en toepassing van toekomstbestendige oplossingen
Voedsel en materialenNederland dreigt de wettelijk verankerde klimaatdoelen voor 2030, 2040 en 2050 niet te halen. Dat blijkt uit de nieuwste Klimaat en Energieverkenning, waarin het Planbureau voor de Leefomgeving concludeert dat het huidige klimaatbeleid onvoldoende is om de noodzakelijke emissiereducties te realiseren. Ook de Raad van State (RvS) stelt dat het halen van die doelen meer vraagt dan alleen het optimaliseren van bestaande systemen. Klimaatneutraliteit vraagt volgens de RvS ook om nieuwe manieren van produceren, consumeren en omgaan met grondstoffen, én om beleid dat ervoor zorgt dat nieuwe oplossingen daadwerkelijk hun weg vinden naar de samenleving.
Opschaling en toepassing van slimme oplossingen loopt te vaak mis
Aan slimme oplossingen gelukkig geen gebrek. Binnen én buiten de biotech werken knappe koppen volop aan innovaties die kunnen bijdragen aan een wereld mét toekomst. Denk aan biobased materialen die fossiele grondstoffen vervangen, nieuwe voedingsmiddelen die vriendelijker zijn voor dier en planeet of gewassen die beter bestand zijn tegen droogte en andere gevolgen van klimaatverandering.
Toch gaat het volgens de RvS bij het opschalen en toepassen van deze oplossingen mis. Nog te vaak lopen innovatieve bedrijven tegen bekende barrières aan, zoals beperkte toegang tot financiering, complexe vergunningprocedures en een gebrek aan ondersteuning bij de stap van startup naar scale-up. Daardoor blijven veel veelbelovende innovaties hangen in pilots, demonstratieprojecten of kleinschalige productie of duurt de stap van technologie naar grootschalige toepassing vaak veel langer dan nodig zou moeten zijn.
Innovatieve producten die de markt halen betreden een ongelijk speelveld
En zelfs als innovatieve producten de markt bereiken, ziet de RvS, is succes niet vanzelfsprekend. Consumenten kiezen uiteindelijk namelijk alleen voor klimaatvriendelijke producten als ze ook betaalbaar, aantrekkelijk en gebruiksvriendelijk zijn. Klimaatvriendelijke innovaties concurreren daardoor nog vaak met de fossiele industrie en conventionele landbouw, waarbinnen producten al jarenlang volledig zijn opgeschaald en kosten zijn geoptimaliseerd. Dat maakt het voor nieuwe oplossingen lastig om door te breken, ook wanneer ze aantoonbaar beter zijn voor mens, dier en planeet.
Dus is het volgens de RvS belangrijk dat de overheid voorwaarden creëert waarin toekomstbestendige oplossingen wél kunnen opschalen en hun weg vinden naar de samenleving. Door bijvoorbeeld ruimte te maken voor innovatieve bedrijvigheid, startups te helpen doorgroeien naar scale-ups, markten te openen voor klimaatvriendelijke alternatieven en een gelijk speelveld te creëren via normeringen, publieke inkoop en prijsprikkels, kunnen klimaatvriendelijke keuzes uitgroeien tot vanzelfsprekende keuzes. Want pas wanneer innovatieve producten de stap kunnen maken van lab naar schap en van niche naar nieuwe standaard, kunnen zij de impact maken die nodig is om Nederland klimaatneutraal te maken.
Hollandbio welcomes Simon-Kucher as a new member
HollandbioHollandbio connects, represents and supports the Dutch biotech sector. With more than 290 members – from start-ups and scale-ups to established companies active in health, food and the biobased economy – we work together to strengthen the Dutch life sciences ecosystem. Today, we are pleased to welcome Simon-Kucher as our newest member. Simon-Kucher is a global consultancy focused on unlocking better growth through commercial strategy, pricing, market access, innovation, marketing, and sales.
“For over 40 years, we have been a trusted advisor to the life sciences industry, working with pharmaceutical and biotech companies at all stages of development to translate scientific innovation into sustainable commercial success. Our teams bring deep life sciences expertise and a holistic commercial perspective to critical decisions around asset and portfolio strategy, value optimization, launch, and commercial excellence.”
“With nearly 2,200 employees across 45 offices in 32 countries, Simon-Kucher has a strong global presence. Our life sciences practice includes over 450 professionals based in29 offices in Europe, the United States, Latin America, China, Japan, and the Middle East. This network enables us to combine global experience with deep local market knowledge, supporting international launch strategies and market-specific approaches in key markets such as the US.”
“By joining Hollandbio, we aim to deepen our connections within the Dutch biotech ecosystem and contribute to the dialogue on key commercial questions shaping the industry today. Key areas include commercialization and pricing strategy, evolving market access policies such as MFN, AI in healthcare, as well as partnering and transaction strategy, and commercial due diligence for biotech leaders and investors. We look forward to exchanging ideas with hollandbio members and being a trusted partner to Dutch innovators as they turn promising science into successful businesses and better outcomes for patients.”
Meet the leadership team:
Learn more about Simon-Kucher and the rest of our team on: www.simon-kucher.com
From wait and see to fund and lead: A roundtable on financing Europe’s biotech frontrunners
Hollandbio, InnovatieklimaatOn 14 September, hollandbio joined a diverse group of biotech leaders for a roundtable discussion with EIC President Michiel Scheffer. The conversation, hosted by biotech company Khondrion in Nijmegen, focused on a key question: how can Europe build the next generation of biotech frontrunners?
Khondrion is dedicated to developing treatments for mitochondrial diseases, a group of often fatal rare diseases that can manifest at a very young age and for which no treatment currently exists that can slow the underlying disease process or its progression. Frank Alsemgeest left the room in silence as he shared what this means for families like his own: his son Robbe passed away at the age of three due to a mitochondrial disease.
Founder Jan Smeitink has independently guided the company from an academic concept to Phase III clinical development, a rare achievement within the Dutch biotech ecosystem. Yet bringing this innovation through the final stages of development and ultimately to patients requires tens of millions of euros in additional funding.
For Khondrion and other translational biotech frontrunners, such funding is far from readily available, especially in Europe. The challenge concerns a rare disease within a largely unexplored therapeutic field, despite an undeniable medical need. Every step from laboratory to patient is uncharted territory and must be designed and validated from scratch, from animal models and biomarkers to clinical endpoints. These pioneers often find themselves trapped in a “circle of wait and see,” where public and private investors, as well as pharmaceutical companies, follow developments with great interest, while waiting for someone else to make the first move. In the meantime, precious time is lost.
The status quo is all too familiar: Europe excels at generating world-class scientific discoveries and start-ups, yet struggles to scale them and capture their economic and societal value. The reason is simple: almost every key condition for biotech innovation is better organised elsewhere in the world.
The roundtable, moderated by biotech pioneer Ronald Brus, focused on precisely this challenge: how can we ensure that biotech frontrunners succeed in Europe rather than seeking opportunities abroad? Such as in the United States, where capital is significantly more abundant and investors have a greater appetite for risk. Or in China, where development can move at remarkable speed and, for now, at a fraction of the cost. Or South Korea, which has deliberately rolled out the red carpet for biotech innovation and is currently reaping the rewards.
The discussion made one thing clear: there is no silver bullet. Success requires an integrated approach. This includes fostering a more entrepreneurial culture, better aligning existing funding instruments and conditions with the unique characteristics of biotech innovation, and unlocking greater pools of capital, including pension fund investments and more attractive conditions for European IPOs. Equally important are faster and simpler regulatory pathways and an attractive market environment. Several ongoing European initiatives, such as the Biotech Act and the Capital Markets Union, provide valuable opportunities to strengthen these critical framework conditions.
The European Innovation Council (EIC), through its broad range of funding instruments that biotech companies already rely on extensively, plays a pivotal role in this. However, it is essential that public investors, including the EIC and national institutions such as Invest-NL, align more closely with the realities and needs of translational biotech frontrunners. For example, by offering greater support for later development stages and by taking a broader view of private investors, they can play a crucial role in mobilising and unlocking the patient, long-term capital these companies require.
By creating the right conditions, Europe can give its translational biotech frontrunners the momentum they need to succeed and ensure that European patients are among the first to benefit from the treatments they and their loved ones have been waiting for for so long.