Van visie naar uitvoering: handen uit de mouwen
Wie het debat over het rapport-Wennink volgde, zag iets opvallends. Achter het gebruikelijke politieke gehakketak, was er op hoofdlijnen veel overeenstemming: Nederland moet meer investeren in toekomstig verdienvermogen, innovatie is cruciaal voor onze welvaart en de concurrentie uit de Verenigde Staten en China wacht niet tot wij zijn uitgepolderd.
Ook voor de toekomstige rol van Nederland biotech sector staat er nogal wat op het spel. Dat ziet de Kamer gelukkig goed: life sciences en biotechnologie werd expliciet benoemd als één van de strategische domeinen waarop Nederland internationaal het verschil kan maken. Tegelijkertijd werd duidelijk dat de discussie steeds minder gaat over wát er moet gebeuren en steeds meer over de vraag óf we het aandurven om daadwerkelijk te handelen. En juist daar wringt het.
Want wie naar ondernemers luistert, hoort al jaren goeddeels dezelfde boodschap: zorg voor goede randvoorwaarden. Minder regeldruk. Kortere vergunningstrajecten. Betere toegang tot talent. Meer groeikapitaal. Betrouwbaar en voorspelbaar beleid. Snellere markttoegang. Daar bestaat inmiddels nauwelijks discussie meer over. Sterker nog, veel van deze punten kwamen ook terug in de woorden van minister Herbert.
Toch zien we dat zodra het debat concreter wordt, de aandacht verschuift naar alles wat een keuze moeilijk maakt: over wie mogelijk wordt vergeten, mogelijke risico’s, over buitenlandse investeerders die meeprofiteren, of de vraag of een investering wel volledig eerlijk uitpakt voor iedere sector of regio. En al zijn het begrijpelijke vragen, het zijn niet de vragen die onze internationale concurrenten bezighouden, terwijl zij bouwen aan nieuwe ecosystemen, productiefaciliteiten en investeringsprogramma’s. Nederland lijkt soms zoveel energie te steken in het (eerlijk) willen verdeln van de taart, dat het vergeet er zelf ook een te bakken.
Voor biotech geldt dat des te meer. En ook wij kunnen los: de integrale Visie Biotechnologie ligt er al, de knelpunten en kansen zijn helder en de benodigde randvoorwaarden bekend. Ondernemers investeren dagelijks in technologieën die kunnen bijdragen aan de ambities voor een betere gezondheid, duurzamere voedselproductie en een sterkere economie. Diezelfde ambitie bracht eerder dit jaar ook Europa’s grootste venture capitalfondsen samen in de European Life Sciences Coalition. Nu is het aan de overheid om die ambitie te beantwoorden met keuzes die investeringen laten renderen, innovatie versnellen en groei mogelijk maken.
Het debat maakte duidelijk dat Economische Zaken de handschoen op wil pakken. Maar geen enkel ministerie kan dit alleen. Innovatie stopt immers niet bij de grenzen van een departement. Talent vraagt om onderwijs en arbeidsmarktbeleid. Markttoegang raakt aan regelgeving, aan zorg, aan landbouw. Vergunningen vragen om efficiënte uitvoering. Financiering raakt de kapitaalmarkt en fiscale instrumenten. Juist daarom is een integrale aanpak onontbeerlijk.
Alle ministeries hebben, kortom een rol te spelen voor toekomstig succes, in het versterken van het Nederlandse innovatievermogen. Niet door nieuwe visies te schrijven, maar door bestaande ambities om te zetten in concrete acties én verantwoordelijkheid te nemen voor het realiseren ervan. Door belemmeringen weg te nemen. Door beleid voorspelbaar te maken. Door ondernemers de ruimte te geven om te investeren, op te schalen en te produceren.
Het rapport-Wennink maakt duidelijk dat economische groei, strategische autonomie en maatschappelijke vooruitgang geen tegenstelling zijn, en is vooral een pleidooi voor keuzes én actie. En ja, dat brengt risico’s met zich mee die we niet weg moeten willen polderen. Want stilstand is óók een risico, en in de huidige tijd, misschien wel het grootste van allemaal.