← #nieuws

Kabinetsplannen Economische Zaken: start met knaken én kansrijke kaders voor knappe koppen

,

Biotech stond voor het eerst in de Troonrede, er komen miljarden voor innovatie en doorgroei en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat zet life sciences & biotechnologie nadrukkelijk op de kaart. Na jaren van rapporten, agenda’s en goede bedoelingen lijkt Den Haag eindelijk de motoren te starten. Maar tankt het kabinet ook voldoende brandstof om echt van z’n plaats te komen?

Miljarden voor innoveren, groeien en opschalen

Om met het goede nieuws te beginnen, voor biotechondernemers liggen er nieuwe kansen in het verschiet. Het kabinet zet drie financieringsinstrumenten naast elkaar:

  • Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI): €500 miljoen voor disruptieve innovatie. Biotech is een van de eerste domeinen waarvoor programma’s worden uitgewerkt. In 2027 moet een pilot starten; volledige operationalisering is voorzien in de eerste helft van 2028.
  • Nationaal Groeifonds: €375 miljoen voor strategisch industriebeleid. Biotechnologie is een van de zes focusgebieden. Projecten kunnen €30 tot €100 miljoen ontvangen. Conceptaanvragen kunnen dit najaar naar RVO; definitieve aanvragen volgen medio 2027.
  • Nationale Investeringsinstelling (NII): €3,3 miljard voor groei en opschaling. De NII moet onder marktconforme voorwaarden groei- en opschalingsfinanciering bieden, samen met private investeerders. Over de precieze uitwerking volgt nog meer informatie.

Met NADI, de nieuwe ronde van het Groeifonds en de NII zet het kabinet stappen richting iets waar hollandbio al jaren om vraagt: passende financiering van innovatie tot opschaling.

Positief is bovendien dat NADI als zelfstandige beleidsdeelneming wordt ingericht, juist om autonomie en slagvaardigheid te organiseren. Hollandbio ziet dat afstand tot de dagelijkse politiek belangrijk is, want innovatie vraagt een lange adem. Wie investeringen voor morgen wil doen, moet voorkomen dat ze bij de politieke waan van vandaag weer worden ingehaald.

De bedragen zijn serieus, maar de investeringsbehoefte voor technologie, innovatie en groei is nog veel groter en breder dan alleen biotech. Het is dus geen eindstation, al is het wel een welkome stap vooruit. En investeren in innovatie? Dat juicht hollandbio natuurlijk van harte toe.

Computer says no is geen innovatiebeleid

Ook fiscaal beweegt er wat. De innovatiebox wordt vanaf 2027 toegankelijker voor het MKB en de WBSO-tarieven blijven in 2027 gelijk. Minder goed nieuws is er voor vroege biotechbedrijven die nog te weinig loonheffing afdragen om hun volledige WBSO-voordeel te verzilveren. De voorgestelde carry forward, waarmee startups ongebruikte WBSO later zouden kunnen benutten, komt er voorlopig niet vanwege uitvoeringsproblemen en onduidelijkheid over de meerwaarde.

Computer says no is wat hollandbio betreft geen innovatiebeleid. Als een effectief instrument niet goed aansluit bij jonge, R&D-intensieve bedrijven, moet de vraag niet alleen zijn waarom uitvoering lastig is, maar vooral hoe we het wél werkend krijgen.

Europa beweegt niet? Beweeg zelf

Diezelfde houding missen we bij de OiM-problematiek. Europese staatssteunregels kunnen innovatieve bedrijven op cruciale momenten in hun ontwikkeling beperken. Tijdens het Tweeminutendebat Innovatie van 3 september drongen Kamerleden er opnieuw op aan om niet alleen in Brussel te zoeken naar meer ruimte, maar ook te kijken wat Nederland zelf kan doen.

Dat vindt hollandbio terecht. Natuurlijk moeten Europese regels beter aansluiten bij de realiteit van innovatieve bedrijven. Maar wachten tot Brussel beweegt terwijl biotechbedrijven nú tegen grenzen aanlopen, is geen innovatiebeleid – laat staan ambitieus innovatiebeleid. Daarvoor hoeft er niet altijd meer geld bij: betere, werkbare voorwaarden maken soms al een wereld van verschil.

Een slagvaardige Taskforce?

En dan de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Die kan misschien wel belangrijker worden dan de afzonderlijke potten geld, wanneer deze genoeg slagkracht krijgt.

Het ministerie van EZK kan financieringsinstrumenten bouwen en innovatiebeleid maken, maar niet in haar eentje zorgen voor een sterk biotechklimaat. Daar hebben ook andere ministeries een belangrijke rol in: zoals I&W voor werkbare regelgeving en vergunningen, LVVN voor betere regels rondom voedselinnovaties en VWS om zijn rol in de zorg te benutten om innovaties sneller bij patiënten te krijgen.

Precies daarom is de Taskforce interessant: meerdere ministeries moeten samen barrières doorbreken rond onder andere innovatie, talent en vestigingsklimaat. Maar net als bij de uitvoeringsagenda van de Integrale Visie Biotechnologie ziet hollandbio nog weinig beweging op bijvoorbeeld markttoegang. En wil je echt private investeringen in R&D en opschaling aanjagen, dan moet er zicht zijn op een rendement.

De Taskforce is daarom een goede eerste stap. De lakmoesproef komt de komende tijd rond de vraag of de ministeries en bewindspersonen erin slagen samen te werken aan het gezamenlijk verbeteren van de randvoorwaarden in voor Nederland belangrijke sectoren. De biotech sector staat te popelen om hier samen met de overheid werk van te maken.

Van plannenproductie naar echte uitvoering

Alles bij elkaar staat biotech nadrukkelijker op de Nederlandse kaart. NADI, NII en de nieuwe Groeifondsronde kunnen belangrijke gaten in het financieringslandschap helpen dichten. En dat toekomstige welvaart interdepartementaal aandacht krijgt, is winst. Voor biotech vraagt dat om een aanpak door de hele keten willen we succes behalen: van kennis, valorisatie en financiering tot talent, regelgeving, productie, markttoegang en opschaling. Blokkeert één van deze schakels, dan komt die briljante innovatie alsnog niet vooruit.

Tijd dus om van woorden naar daden te gaan. Niet nóg een analyse van wat er misgaat, maar beginnen met oplossen wat we allang weten. Slecht die departementale grenzen, maak stappen vooruit onder gezamenlijke verantwoordelijkheid. En randvoorwaarden waarmee onze knappe koppen niet alleen iets briljants kunnen bedenken, maar het hier ook kunnen ontwikkelen, financieren, produceren, naar de markt brengen én opschalen. Dán beginnen de economische motoren pas echt te ronken.