← #nieuws

RVO en EZ lichten effecten van afschaffing farmaciebrief WBSO toe

Op 2 juni informeerden RVO en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) bedrijven over het afschaffen van de zogeheten farmaciebrief – de brief die het voor CRO’s mogelijk maakt om WBSO aan te vragen voor klinisch onderzoek. Hollandbio riep de minister eerder al in een brandbrief op niet te kiezen voor de botte bijl, maar eerst een plan uit te werken om negatieve effecten van de afschaffing te beperken. In plaats daarvan besloot het ministerie tijdens deze bijeenkomst alleen duidelijkheid te geven over de gevolgen voor betrokken partijen. Wat hollandbio betreft, verdient de Nederlandse biotech beter.

EZK  houdt vast aan het schrappen van de regeling en ziet dit als een noodzakelijke, correctie van een uitzondering die er mogelijk nooit had moeten zijn. RVO benadrukt tegelijk dat er kansen zijn om de WBSO beter te laten aansluiten bij de praktijk van farma- en biotechbedrijven.

Over de concrete uitwerking blijft echter nog veel onduidelijk. Bedrijven krijgen vooral de boodschap dat zij zelf aan de slag moeten om hun aanvragen passend te maken. De echte impact zal pas zichtbaar worden in de komende maanden, wanneer aanvragen voor 2027 worden voorbereid.

Opvallend is dat EZ en RVO impliciet erkennen dat de maatregel negatieve gevolgen kan hebben, waaronder meer onzekerheid, hogere administratieve lasten en mogelijk verplaatsing van klinische studies naar het buitenland. Deze effecten worden vooralsnog geaccepteerd binnen het bredere beleidskader.

Voor ondernemers betekent dit vooral: onzekerheid op korte termijn en mogelijk hogere drempels voor klinisch onderzoek in Nederland. Met name CRO’s en CDMO’s worden geraakt, terwijl juist zij een cruciale rol spelen in de ontwikkeling van nieuwe therapieën.

Hollandbio maakt zich nog steeds zorgen over de werkelijke impact van de afschaffing, ook omdat die daarna mogelijk niet of nauwelijks te herstellen valt. Wie serieus inzet op de groeikansen van de biotechsector, kan het zich niet permitteren om essentiële schakels te verzwakken. Innovatie ontstaat in een keten van ontdekking tot ontwikkeling en toepassing, en die keten is zo sterk als de zwakste schakel. Met het afschaffen van de farmaciebrief wordt een van die schakels onder druk gezet: kennis dreigt te verdwijnen en het Nederlandse klinisch onderzoeksklimaat dreigt te verschralen.

Dit had anders gekund. Door eerst samen met de sector naar oplossingen te zoeken, in plaats van een bestaand instrument abrupt te schrappen. Kortom: als Nederland koploper wil zijn in biotech, vraagt dat om consistent, voorspelbaar en stimulerend beleid dat álle schakels in de keten versterkt – niet verzwakt.

← #nieuws

Komt er ruimte voor risico en lef met het Nationaal Agentschap voor Disruptive Innovatie?

Op woensdag 27 mei organiseerde het Thematisch Netwerk Economische Zaken & Innovatie van de VVD een webinar om meer inzicht te geven in het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI). Dit agentschap wordt de Nederlandse variant van DARPA (VS), bekend om baanbrekende innovaties zoals GPS en mRNA-technologie, en SPRIND (Duitsland). Tijdens de webinar lichtte het ministerie van Economische Zaken toe dat NADI het gat moet dichten tussen vroege onderzoeksfinanciering (zoals NWO) en marktgerichte investeerders (zoals Invest-NL). Dat is hard nodig, want Nederland verliest ondanks een sterke kennispositie terrein op de wereldwijde ranglijst van technologieposities. Dat daar verandering in moet komen, is hollandbio het volledig mee eens. Maar hoe gaat NADI dat dan precies aanpakken? Ontdek wat er nu bekend is én waar, wat ons betreft nog belangrijke hobbels liggen.

Om NADI vorm te geven is Jelle Prins, medeoprichter van biotechbedrijf Cradle, gevraagd om de opzet te leiden. Centraal in de aanpak staan missiegedreven programma’s die gericht zijn op het oplossen van concrete maatschappelijke vraagstukken. Niet kennis of technologie als doel op zich, maar oplossingen staan centraal en die mogen nadrukkelijk ‘out of the box’ zijn.

Daarvoor wordt een aantal belangrijke randvoorwaarden gehanteerd. NADI wordt een onafhankelijke organisatie die programmatisch werkt, met sterke programmadirecteuren die zowel inhoudelijke expertise hebben als het vermogen om in te schatten of een voorstel kans van slagen heeft. Deze directeuren formuleren de problemen, maar schrijven de oplossingen niet voor. Juist bedrijven en andere partijen worden uitgedaagd om met oplossingsrichtingen te komen.

NADI positioneert zich nadrukkelijk niet als onderzoeksinstituut, maar als financier van onderzoek dat direct bijdraagt aan oplossingen. Per programma wordt substantieel geïnvesteerd (circa €10–100 miljoen), waarbinnen meerdere oplossingsrichtingen parallel worden ontwikkeld. Op termijn blijven alleen de meest kansrijke trajecten gefinancierd. Deze aanpak biedt ruimte voor radicale innovatie en accepteert dat niet alles succesvol zal zijn.  

Volgens de huidige planning gaat NADI tussen mei en september 2027 van start en zal het zich richten op sleuteltechnologieën uit de Nationale Technologiestrategie (NTS). Goed nieuws voor biotech, dat via biomoleculaire en celtechnologie sterk vertegenwoordigd is!

Wat hollandbio betreft, heeft NADI daarmee alles in huis om de Nederlandse technologiepositie te versterken, zoals we ook al eerder schreven. Tegelijkertijd zien we duidelijke risico’s. Zoals eerder benoemd dreigt de aanpak te voorzichtig te worden. Het beoogde budget, 500 miljoen euro, is een fractie van dat van DARPA en het revolverende karakter sluit niet goed aan bij het risicoprofiel van disruptieve innovatie. Maar, als Nederland het aandurft om écht te investeren en risico’s te accepteren, liggen er volop kansen om echt verschil te maken.

← #nieuws

Valorisatie vraagt om één doel – en dat ontbreekt nu

Nederland barst van de kennis, maar weet die nog te weinig om te zetten in bedrijven met echte impact. Het rapport van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) Beter van start laat zien waarom: niet gebrek aan potentie, maar een systeem waarin belangen versnipperd zijn en doorgroei geen vanzelfsprekend uitgangspunt is. Het doel zou helder moeten zijn: maximale maatschappelijke én economische impact via succesvolle doorgroei van kennisintensieve bedrijven. In de praktijk raakt dat doel ondergesneeuwd door kortetermijnprikkels en uiteenlopende belangen. Zonde wat hollandbio betreft en vooral een gemiste kans voor ondernemers die willen bouwen aan oplossingen voor gezondheid en de samenleving.

Knelpunten die elkaar versterken

AWTI laat zien dat het probleem geen losse horde is, maar een keten van fricties die elkaar versterken: een lange weg naar een werkend businessmodel, afzwakkende ambitie, teams met onvoldoende commerciële slagkracht, knellende afspraken bij de start (zoals intellectueel eigendom en vroege financiering), beperkte ruimte voor internationalisering en een duidelijke financieringskloof in de scale-up fase. Het resultaat is een systeem waarin frictie de norm is in plaats van de uitzondering.

Hulp die groei belemmert

Het meest confronterende uit de AWTI-analyse is dat juist de ondersteuning die nodig is om te starten, groei later vaak belemmert. Afspraken met kennisinstellingen, regionale voorwaarden of institutionele structuren zijn logisch vanuit hun eigen perspectief, maar maken opschalen en het aantrekken van internationaal kapitaal lastiger. Het systeem optimaliseert voor de start, maar verliest de finish uit het oog.

Tijd voor keuzes: maak doorgroei leidend

De boodschap van het AWTI is helder: maak doorgroei en maatschappelijke impact leidend in het hele valorisatiesysteem. Daar is hollandbio het volmondig mee eens. Wat daarvoor nodig is, zijn afspraken die schaal mogelijk maken, financiering die past bij lange tijdslijnen, sterke teams en een ecosysteem dat internationale groei faciliteert. Er is geen compleet gebrek aan geld of talent, maar een gebrek aan een gedeelde richting. Wanneer alle partijen dezelfde kant op bewegen, kan valorisatie doen wat het moet doen: kennis omzetten in impact.

← #publicaties

Subsidie langs de meetlat: Eurostars

, ,

Subsidies spelen een cruciale rol in het mogelijk maken van biotech-innovatie, waar ontwikkeltrajecten vaak lang, risicovol en kapitaalintensief zijn. Toch is het voor biotechbedrijven moeilijk een subsidieregeling te vinden die aansluit op hun unieke behoeften. Wat hollandbio betreft voldoet een succesvolle subsidieregeling aan zes voorwaarden. Benieuwd in hoeverre de Europese subsidieregeling Eurostars aansluit bij de behoeften van biotech?  In een nieuwe infographic scoren we deze subsidies op een schaal van 1 tot 10. 

Eurostars is onderdeel van het Europese innovatieprogramma Eureka. Via subsidies van maximaal €500.000 voor het Nederlandse projectaandeel jaagt deze regeling snellere ontwikkeling en groei aan van kleine bedrijven, mits die deelnemen aan een samenwerkingsverband tussen partijen uit meerdere Europese landen. Hoewel de subsidie Europees georiënteerd is, ligt de uitvoering ervan bij de lidstaten zelf. In Nederland is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) daarvoor verantwoordelijk. Dit heeft per jaar een totaal van €22 miljoen beschikbaar voor Nederlandse aanvragen verdeeld over twee calls. 

Wil een subsidie zoals Eurostars aansluiten bij biotech, dan moet die wat hollandbio betreft aan de volgende zes voorwaarden voldoen:   

  1. De regeling maakt vervolgfinanciering interessant, zodat investeerders vertrouwen houden en bedrijven de lange weg van lab naar markt kunnen voltooien.   
  1. De voorwaarden rond intellectueel eigendom (IP) zijn innovatie- en marktgericht, zonder knellende afspraken, publicatie-eisen of pandrechten die investeerbaarheid ondermijnen.    
  1. De verhouding tussen administratieve lasten en het subsidiebedrag is in balans. Het subsidiebedrag is groot genoeg om impactvolle investeringen mogelijk te maken en niet te complex, zodat ondernemers niet afhaken.  
  1. De regeling zet de ondernemer centraal. Ondernemers hebben zeggenschap over het project, zodat de samenwerking bijdraagt aan hun R&D-ambities en inhoudelijk relevant is voor de markt.   
  1. De beoordelingsprocedures zijn snel en flexibel, zodat projecten op het juiste moment kunnen starten om daadwerkelijk impact te maken.   
  1. Het beschikbare budget is toereikend en bereikbaar voor start- en scaleups, zodat kwalitatief goede projecten van groeiende bedrijven niet onnodig worden afgewezen. 

Hoe scoort Eurostars? 

Wanneer we Eurostars langs onze meetlat leggen, zien we het volgende: 

Op het gebied van vervolgfinanciering scoort de Eurostars erg goed. Het betreft namelijk een zuivere subsidie zonder terugbetalingsverplichting. Voor het MKB en kennisinstellingen wordt 50% van de projectkosten gesubsidieerd en voor grote bedrijven of andere instellingen bedragen de subsidiabele projectkosten maximaal 40%. De rest van de financiering moeten deelnemers uit andere bronnen halen. Hiermee scoort Eurostars een 9 uit 10. 

De IP-bescherming van Eurostars projecten is goed geregeld. Van tevoren maken de verschillende deelnemers in het project afspraken over intellectueel eigendom, wat resulteert in een score van 8 uit 10. 

De administratieve last van de Eurostars is relatief laag. Ze vereist twee keer per jaar een inhoudelijke update en aan het einde een uitgebreidere rapportage. Bij grotere consortia kan de last wat hoger zijn vanwege het grotere aandeel betrokken partijen. Daartegenover staat een subsidiebedrag van maximaal € 500.000. Dat is prima in balans, dus scoort deze subsidie hiervoor een 8 uit 10. 

Hoewel zeggenschap bij deze subsidie deels met andere samenwerkingspartners wordt gedeeld, zien wij dat de ondernemer altijd in de lead is bij de aanvraag. Met deze partners wordt er van tevoren een duidelijke consortiumsovereenkomst verwacht waarin vooraf duidelijke afspraken worden gemaakt. Ook is pivoteren in het project (na goedkeuring) mogelijk. Wij geven daarom een 8 uit 10. 

De doorlooptijd voor een Eurostars-aanvraag is lang. Na een Europese inhoudelijke controle en beoordeling wordt door RVO beoordeeld welke aanvragen gehonoreerd kunnen worden. Alles bij elkaar kost dit vijf tot zes maanden. Wij vinden dat erg stevig vinden en scoren hier daarom met een 4 uit 10. 

Het slagingspercentage van de Eurostars vinden wij met 50% acceptabel. Helaas is er niet genoeg budget beschikbaar om alle kwalitatief goede voorstellen van financiering te voorzien. Ook kan het gebeuren dat het budget van een samenwerkende lidstaat uit het project op is, waardoor het volledige project niet door kan gaan. Wij scoren deze subsidie hiervoor daarom een 7 uit 10. 

Al met al scoort de Eurostars, wat ons betreft, voor biotech dus erg goed. De populariteit van het instrument bevestigt dit: in het overzicht van gehonoreerde aanvragen tot en met september 2025 is te zien dat Nederlandse bedrijven de weg naar de Eurostars goed weten te vinden. Het enige minpuntje aan de Eurostars vinden wij de doorlooptijd, maar verder scoort de Eurostars uitstekend. Heb jij ervaring met deze subsidie, of een andere kijk op de Eurostars? Deel je inzichten met ons, dan zorgen we samen dat subsidieregelingen nóg beter gaan aansluiten bij de behoeften van biotech! 

← #nieuws

Systeem boven patiënt: voor wie zorgt ons zorgstelsel nog?

,

VWS-minister Hermans ziet geen aanleiding voor een aparte route voor de vergoeding van weesgeneesmiddelen. Sterker nog – ze schaft de huidige regeling Voorwaardelijke Toelating (VT) liever af dan dat ze ruimte maakt voor passende toegang voor geneesmiddelen voor zeldzame ziekten. Een klap in het gezicht van de groeiende coalitie van patiënten, zorgverleners, zorgverzekeraars en bedrijven, die niet alleen ziet dat ons zorgsysteem hier weldegelijk faalt, maar bovendien uit eigen ervaring weet dat het beter kan. Het doet de vraag rijzen voor wie de minister wil zorgen: voor de patiënt of het systeem?

De twee recente Kamerbrieven maken het antwoord pijnlijk duidelijk: in de Nederlandse zorg gaat het systeem vóór de patiënt. Ondanks de brede oproep voor een passende route voor de vergoeding van weesgeneesmiddelen, houdt de minister de boot af. Ze stelt – in navolging van het Zorginstituut – dat het huidige beoordelingskader prima geschikt is om ook bij weesgeneesmiddelen te komen tot een positief oordeel over de effectiviteit. En hoewel het waar is dat het Zorginstituut het leeuwendeel van de weesgeneesmiddelen als ‘stand der wetenschap en praktijk’, en dus als meest effectieve behandeloptie beoordeelt, is dat natuurlijk niet waar het om gaat. Patiënten zijn pas geholpen als ze daadwerkelijk met dat effectieve geneesmiddel behandeld worden: als het positieve oordeel ook tot vergoede toegang leidt. En juist daar wringt de schoen. 

De cijfers zijn alarmerend, zeker als je ze vergelijkt met de eerste WAIT indicator: in zeven jaar tijd is de beschikbaarheid van weesgeneesmiddelen in Nederland gekelderd van 71% naar slechts 39%, terwijl de wachttijd is opgelopen van 239 naar 561 dagen. In plaats van dit groeiende probleem onder ogen te zien en als de wiedeweerga op zoek te gaan naar mogelijkheden om het tij te keren, verschuilt de minister zich achter een bureaucratische schijnrealiteit. Daarmee legt ze de oproep van een groeiende coalitie van patiënten, zorgverleners, verzekeraars en bedrijven naast zich neer. En erger, daarmee lijkt ze het prima te vinden dat patiënten met een zeldzame ziekte, hun naasten en hun artsen, ondanks het bestaan van een effectieve behandeling, steeds vaker met lege handen zullen staan. 

Juist nu we dankzij voortschrijdend begrip van onze biologie beter dan ooit in staat zijn om patiënten van passende zorg en gezondheid op maat te voorzien, is de weigerachtigheid van de minister en het Zorginstituut om zelfs maar de feiten onder ogen te zien onacceptabel en onhoudbaar. Daarom herhalen wij, in aanloop naar het commissiedebat over pakketbeheer op 10 juni, onze dringende gezamenlijke oproep aan de Tweede Kamer: het systeem loopt muurvast, maak werk van een passende route om nieuwe geneesmiddelen ook daadwerkelijk bij de patiënt te krijgen, ongeacht de incidentie van de ziekte. Begin daarbij met de koplopers op weg naar gezondheid op maat: weesgeneesmiddelen voor patiënten met een zeldzame ziekte. Het veld is het alvast eens, nu de minister nog.

← #nieuws

Subsidie langs de meetlat: sluit de Eurostars aan bij biotech?

, ,

Subsidies spelen een cruciale rol in het mogelijk maken van biotech-innovatie, waar ontwikkeltrajecten vaak lang, risicovol en kapitaalintensief zijn. Toch is het voor biotechbedrijven moeilijk een subsidieregeling te vinden die aansluit op hun unieke behoeften. Wat hollandbio betreft voldoet een succesvolle subsidieregeling aan zes voorwaarden. Benieuwd in hoeverre de Europese subsidieregeling Eurostars aansluit bij de behoeften van biotech?  In een nieuwe infographic scoren we deze subsidies op een schaal van 1 tot 10. 

Eurostars is onderdeel van het Europese innovatieprogramma Eureka. Via subsidies van maximaal €500.000 voor het Nederlandse projectaandeel jaagt deze regeling snellere ontwikkeling en groei aan van kleine bedrijven, mits die deelnemen aan een samenwerkingsverband tussen partijen uit meerdere Europese landen. Hoewel de subsidie Europees georiënteerd is, ligt de uitvoering ervan bij de lidstaten zelf. In Nederland is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) daarvoor verantwoordelijk. Dit heeft per jaar een totaal van €22 miljoen beschikbaar voor Nederlandse aanvragen verdeeld over twee calls. 

Wil een subsidie zoals Eurostars aansluiten bij biotech, dan moet die wat hollandbio betreft aan de volgende zes voorwaarden voldoen:   

  1. De regeling maakt vervolgfinanciering interessant, zodat investeerders vertrouwen houden en bedrijven de lange weg van lab naar markt kunnen voltooien.   
  1. De voorwaarden rond intellectueel eigendom (IP) zijn innovatie- en marktgericht, zonder knellende afspraken, publicatie-eisen of pandrechten die investeerbaarheid ondermijnen.    
  1. De verhouding tussen administratieve lasten en het subsidiebedrag is in balans. Het subsidiebedrag is groot genoeg om impactvolle investeringen mogelijk te maken en niet te complex, zodat ondernemers niet afhaken.  
  1. De regeling zet de ondernemer centraal. Ondernemers hebben zeggenschap over het project, zodat de samenwerking bijdraagt aan hun R&D-ambities en inhoudelijk relevant is voor de markt.   
  1. De beoordelingsprocedures zijn snel en flexibel, zodat projecten op het juiste moment kunnen starten om daadwerkelijk impact te maken.   
  1. Het beschikbare budget is toereikend en bereikbaar voor start- en scaleups, zodat kwalitatief goede projecten van groeiende bedrijven niet onnodig worden afgewezen. 

Hoe scoort Eurostars? 

Wanneer we Eurostars langs onze meetlat leggen, zien we het volgende: 

Op het gebied van vervolgfinanciering scoort de Eurostars erg goed. Het betreft namelijk een zuivere subsidie zonder terugbetalingsverplichting. Voor het MKB en kennisinstellingen wordt 50% van de projectkosten gesubsidieerd en voor grote bedrijven of andere instellingen bedragen de subsidiabele projectkosten maximaal 40%. De rest van de financiering moeten deelnemers uit andere bronnen halen. Hiermee scoort Eurostars een 9 uit 10. 

De IP-bescherming van Eurostars projecten is goed geregeld. Van tevoren maken de verschillende deelnemers in het project afspraken over intellectueel eigendom, wat resulteert in een score van 8 uit 10. 

De administratieve last van de Eurostars is relatief laag. Ze vereist twee keer per jaar een inhoudelijke update en aan het einde een uitgebreidere rapportage. Bij grotere consortia kan de last wat hoger zijn vanwege het grotere aandeel betrokken partijen. Daartegenover staat een subsidiebedrag van maximaal € 500.000. Dat is prima in balans, dus scoort deze subsidie hiervoor een 8 uit 10. 

Hoewel zeggenschap bij deze subsidie deels met andere samenwerkingspartners wordt gedeeld, zien wij dat de ondernemer altijd in de lead is bij de aanvraag. Met deze partners wordt er van tevoren een duidelijke consortiumsovereenkomst verwacht waarin vooraf duidelijke afspraken worden gemaakt. Ook is pivoteren in het project (na goedkeuring) mogelijk. Wij geven daarom een 8 uit 10. 

De doorlooptijd voor een Eurostars-aanvraag is lang. Na een Europese inhoudelijke controle en beoordeling wordt door RVO beoordeeld welke aanvragen gehonoreerd kunnen worden. Alles bij elkaar kost dit vijf tot zes maanden. Wij vinden dat erg stevig vinden en scoren hier daarom met een 4 uit 10. 

Het slagingspercentage van de Eurostars vinden wij met 50% acceptabel. Helaas is er niet genoeg budget beschikbaar om alle kwalitatief goede voorstellen van financiering te voorzien. Ook kan het gebeuren dat het budget van een samenwerkende lidstaat uit het project op is, waardoor het volledige project niet door kan gaan. Wij scoren deze subsidie hiervoor daarom een 7 uit 10. 

Al met al scoort de Eurostars, wat ons betreft, voor biotech dus erg goed. De populariteit van het instrument bevestigt dit: in het overzicht van gehonoreerde aanvragen tot en met september 2025 is te zien dat Nederlandse bedrijven de weg naar de Eurostars goed weten te vinden. Het enige minpuntje aan de Eurostars vinden wij de doorlooptijd, maar verder scoort de Eurostars uitstekend. Heb jij ervaring met deze subsidie, of een andere kijk op de Eurostars? Deel je inzichten met ons, dan zorgen we samen dat subsidieregelingen nóg beter gaan aansluiten bij de behoeften van biotech! 

← #nieuws

Hollandbio verwelkomt i-RECON als nieuw lid

Hollandbio verbindt, vertegenwoordigt en ondersteunt de Nederlandse biotech-sector. We zijn supertrots dat we al meer dan 270 bedrijven vertegenwoordigen: van start-ups, midden- en kleinbedrijven tot grote bedrijven, actief in gezondheid, voeding of biobased economy. Vandaag verwelkomen we ons nieuwste lid, i-RECON, de verbinder tussen bedrijven en talent in de life sciences-sector. Ferdi Cocken van i-RECON stelt zich graag aan jullie voor:

“Nederland mag trots zijn op het niveau en de internationale allure van de topsector Life Sciences. Talloze baanbrekende innovaties werden en worden hier bedacht, ontwikkeld en gemaakt. Dit zou onmogelijk zijn zonder de juiste kennis en ervaring. i-RECON zorgt ervoor dat bedrijven makkelijk en snel toegang hebben tot deze kennis en ervaring. Wij vinden áltijd en snel de juiste mensen, zodat ideeën tot de beste producten kunnen worden gemaakt.

Naast onze (executive) search- en recruitmentdienstverlening, zijn wij ook flexibel inzetbaar voor het inrichten van HR- en recruitmenttools, systemen en processen bij onze opdrachtgevers. Wanneer een start-up zich ontwikkelt tot een scale-up, ontstaat vaak een grotere behoefte aan structuur. Wij bieden de juiste ondersteuning met up-to-date kennis van automatisering, wetgeving én de markt. Hiermee borgen we dat onze opdrachtgevers onnodig risico lopen om talent te verliezen en stellen hen in staat om zelf de juiste mensen aan te trekken.

Binnen hollandbio willen wij op een laagdrempelige en persoonlijke manier nieuwe samenwerkingen opzetten met ambitieuze Life Sciences-bedrijven. We hopen veel nieuwe mensen te ontmoeten tijdens het hollandbio Dutch Biotech Event in Maarssen of bij een andere gelegenheid. Eerder kan natuurlijk ook, neem gerust eens vrijblijvend contact met ons op!”

← #nieuws

Scaling beyond Series C: Insights from the frontlines

, , ,

On Thursday, 21st May, hollandbio and De Brauw Blackstone Westbroek collaborated to support biotech companies in Scaling Beyond Series C at an exclusive event. 

The session kicked off with a market overview by hollandbio’s Annemiek and Jan Christoph Vollgraff (Vice President Healthcare Investment Banking at Van Lanschot Kempen), who set the stage with several observations on developments in the sector: 

  • All 10 biotech IPOs in 2026 listed on NASDAQ, with none choosing a European exchange 
  • Venture capital and private equity firms are facing increasing challenges in raising new funds 
  • Capital is concentrating around a limited number of late-stage winners 
  • This shift raises an important question: what happens if early-stage funding dries up, and the pipeline for future innovation shrinks? 

Jaap Barneveld (Partner at De Brauw Blackstone Westbroek) moderated the panel discussion with Paul van der Horst (CBO at Agomab Therapeutics), Zosia van Eesteren (Senior Associate at Gilde Healthcare), Oscar Marshall (Associate at EQT Group), and Jan Christoph Vollgraff. Raising capital beyond Series C is fundamentally different from earlier stages. The stakes are higher, timelines are longer, and expectations on both sides of the table are significantly more demanding.  

Drawing from Agomab Therapeutics’ journey through Series B to D and its IPO in February 2026, Paul van der Horst shared several practical lessons: 

  • Always explore multiple financing strategies. Think about IPO, private rounds, partnerships, or M&A. Start early, before you can even imagine ever raising a Series C, as each option requires significant preparation time;
  • Raise capital when you don’t urgently need it, not when you are under pressure;
  • Invest in relationships from day one; trust with investors is built over years, not months; 
  • Deliver on your promises—credibility compounds over time;
  • Professionalize governance, with a focused board and clear operational ownership within the management team; 
  • Plan financing with a multi-year horizon (typically 2–5 years); 
  • Hire ahead of your future needs, not just current challenges; 
  • Actively manage your news flow to sustain visibility and engagement. 

From the investor perspective, Zosia van Eesteren and Oscar Marshall highlighted how expectations are evolving alongside deal sizes: 

  • A strong, proven management team is critical; 
  • Companies with multiple assets and a clear platform strategy are more attractive; 
  • Experience matters. Serial entrepreneurship is a strong signal; 
  • Strategic investors, such as pharma partners, strengthen the cap table; 
  • Non-dilutive funding can be valuable, but the application process should not slow down momentum. 

While the path to late-stage funding is becoming more complex, one message stood out clearly: preparation is everything. Building the right story, relationships, and strategic options takes years, but only those who are ready can act when the window of opportunity opens.  

Hollandbio would like to sincerely thank De Brauw Blackstone Westbroek for their expertise and hospitality.

← #nieuws

Nieuwspoortontbijt: toegankelijkheid voor weesgeneesmiddelen moet beter

, ,

De toegankelijkheid voor weesgeneesmiddelen in Nederland dreigt vast te lopen. Recente cijfers laten zien dat slechts 39% van alle weesgeneesmiddelen die tussen 2021 en 2024 in Europa zijn geregistreerd, beschikbaar zijn voor Nederlandse patiënten. Samen met de Belangenvereniging van Kleine mensen, VSOP, VKS, Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen en het Comité Weesgeneesmiddelen heeft hollandbio een ontbijtbijeenkomst in Nieuwspoort georganiseerd om hierover met Tweede Kamerleden het gesprek aan te gaan.

Tijdens deze bijeenkomst stonden we stil bij drie vragen: wat zien we gebeuren? Waar loopt het in Nederland vast? En als belangrijkste: hoe zorgen we dat dit wel gaat lukken? Voor de 1 miljoen patiënten met een zeldzame ziekte in Nederland is die laatste vraag waar het om draait. Voor hen zijn weesgeneesmiddelen geen luxe, maar vaak de enige optie die zij hebben voor een goede behandeling. Op 10 juni debatteert de Tweede Kamer met de minister van VWS over onder andere deze onderwerpen. Wij hopen dat Kamerleden de inzichten uit deze discussie mee kunnen nemen om de minister aan te sporen werk te maken van een toekomstbestendig stelsel dat patiënten met een zeldzame ziekte niet in de kou laat staan.

← #nieuws

Nederlandse patiënt wacht opnieuw langer, en regelmatig tevergeefs, op medicatie

493 dagen, zo lang wachten Nederlandse patiënten gemiddeld op nieuwe geneesmiddelen die door de EMA veilig en effectief zijn bevonden. Dat wil zeggen, als ze hen al bereiken. Want ruim 46% van deze nieuwe middelen is überhaupt nog niet beschikbaar in Nederland. Dat blijkt uit de nieuwste editie van de EFPIA WAIT indicator, die op 19 mei is gepubliceerd. Schrikbarende cijfers, vindt hollandbio, want een gebrek aan toegang zet patiënten direct in de kou. Ook komen bedrijven steeds verder onder druk te staan, met mogelijk verstrekkende gevolgen.

Uit de WAIT indicator van 2026 blijkt dat we er zowel qua percentage beschikbare geneesmiddelen als qua gemiddelde wachttijd slechter voor staan dan vorig jaar. Slechts 54% van de geneesmiddelen die tussen 2021 en 2024 zijn geregistreerd wordt in Nederland vergoed. Voor specifiek geneesmiddelen tegen kanker en weesgeneesmiddelen is het beeld nog somberder: respectievelijk 41% en 39% van deze middelen zijn beschikbaar voor patiënten. In de praktijk betekenen deze getallen dat Nederlandse patiënten vaak niet de beschikking hebben over de nieuwste geneesmiddelen, dat de dokterstas minder vol zit, artsen minder keuzevrijheid hebben om de behandeling af te stemmen op de individuele patiënt en dat bedrijven die behandelingen ontwikkelen en op de markt brengen, geen inkomsten krijgen vanuit Nederland. Iedereen verliest, zij het niet allemaal in gelijke mate. Het klinkt hard, maar voor een wereldwijd opererend bedrijf zijn inkomsten vanuit Nederland immers klein bier, terwijl toegang voor een Nederlandse patiënt een wereld van verschil betekent.

Wat hollandbio’s zorgen om deze cijfers nog eens extra versterkt, zijn de geopolitieke ontwikkelingen. De WAIT indicator biedt weliswaar zicht op de situatie in het hier en nu binnen de EU, maar neemt niet de wereldwijde context mee. Geneesmiddelenontwikkeling is bij uitstek globaal georganiseerd: bedrijven ontwikkelen producten niet alleen in of voor de EU. En juist op andere continenten gaan de ontwikkelingen razendsnel. China ontpopt zich als een biotech powerhouse met steeds meer bedrijven die nieuwe behandelingen ontwikkelen, voortgestuwd door een overheid die de sector ondersteunt met gericht beleid, razendsnelle ontwikkelmogelijkheden en enorme investeringen. Aan de andere kant van de plas regeert Trump met de ouderwetse stok: door met zijn Most Favoured Nation Pricing-beleid prijzen in de VS te koppelen aan die in Europa, dwingt hij bedrijven tot harde strategische keuzes over of en hoe ze Europa nog kunnen beleveren. En Europa? Dat draaide recent via de nieuwe farmaceutische wetgeving en de critical medicines act de duimschroeven voor onze sector nog een standje strakker, in plaats van de route van lab naar patiënt makkelijker te maken. Innovatie aanjagen, strategisch autonoom willen zijn én tegelijkertijd binnen (nationaal) budget enkel op uitgaven sturen, is niet met elkaar verenigbaar: op dezelfde voet doorgaan is wat hollandbio betreft niet langer een optie.

Zonder haalbare route van lab naar vergoede toegang bevinden bedrijven in Nederland en de EU zich op een dood spoor. De gevolgen onttrekken zich goeddeels aan het licht: bedrijven zijn huiverig om zich hard uit te spreken over hun lanceerstrategie. Uit concurrentieoverwegingen, of omdat het om beursgevoelige informatie gaat, maar ook omdat het uitspreken van zorgen – in Nederland althans – nogal snel en makkelijk bestempeld wordt als ‘chantage’. Hollandbio neemt de rol van kanarie in de kolenmijn daarom maar op zich, en wij slaan wél alarm. Donkere wolken pakken zich samen: de eerste signalen dat bedrijven geen vergoedingsdossier meer indienen in Nederland, of de ontwikkelingen in het Witte Huis afwachten, zijn er al. Toch lijken we daar in Nederland vooralsnog weinig mee te doen. Sterker nog. We leggen de lat keer op keer hoger. Zo stuurt onze overheid via het kader maatschappelijk aanvaardbare uitgaven geneesmiddelen nog altijd op lagere geneesmiddelprijzen, gaf zij het Zorginstituut (ZIN) recent een stevigere rol in het toetsen van de beroepsgroep én pakketbeheer en lijkt ZIN op haar beurt via het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen voornamelijk oog te hebben voor de reductie van financiële risico’s rond geneesmiddelen. Maar geneesmiddelen -zo zeggen patiëntenorganisaties- zijn niet alleen een risico, maar voor hen bovenal een kans. Een kans om beter en gezonder te kunnen participeren in de maatschappij.

Wanneer bijna de helft van de middelen die EMA effectief en veilig genoeg acht om aan patiënten te geven, geen patiënt in Nederland bereikt, kun je niet echt meer spreken van een incident. In hollandbio’s optiek gaat er echt iets fundamenteels mis in ons innovatie-ecosysteem. De argumenten die gebezigd worden om het vastlopen van het systeem te ontkennen zijn divers. Dat we vooral niet alles moeten medicaliseren. Dat niet elk middel evenveel waarde toevoegt. Dat niet alles wat kan ook nodig is. Dat het allemaal te duur wordt. En hoewel dat stuk voor stuk heel valide punten kunnen zijn, is het op zijn minst opmerkelijk en een discussie waard dat andere landen andere keuzes maken, en wél de waarde van geneesmiddelen en innovatie zien en willen belonen? Waarom houden juist wij, als welvarend en innovatieminnend land, met een torenhoge ambitie in innovatie en toepassing van biotech, dan onze hand zo buitengewoon stevig op de knip als het om geneesmiddelen gaat?

De WAIT indicator laat zien dat de route van lab naar patiënt steeds minder begaanbaar wordt, zowel in Nederland als in de hele EU. We zijn het aan onszelf verplicht om dit tij te keren. Doen we dit niet, dan lopen we niet alleen de geneesmiddelen van vandaag mis, maar is de kans groot dat we ook de boot missen bij geneesmiddelen die in de toekomst ontwikkeld worden. Zo laten we patiënten van nu en van later in de kou staan. Uiteindelijk blijft gezondheid ons allergrootste goed, ook al realiseren veel mensen zich dat helaas pas als het te laat is.