← #nieuws

Bouwen in plaats van afbreken

, ,

De laatste tijd horen we het steeds vaker: patiënten in landen om ons heen worden behandeld met nieuwe geneesmiddelen, maar in Nederland worden deze niet vergoed. Ook als het Zorginstituut heeft vastgesteld dat een geneesmiddel meerwaarde heeft, geeft dit nog geen garanties voor toegang. Met het pakketadvies in de hand zet het ministerie van VWS in op stevige kortingen, waardoor onderhandelingen meermaals muurvast komen te zitten. Ondertussen trekken patiëntenorganisaties aan de bel, maar zij blijven met lege handen zitten. Zo brokkelt de toegang tot geneesmiddelen in Nederland steeds verder af.

Patiëntenvereniging Spierziekten Nederland deed voor de zomer een dringende oproep om de vergoeding van een geneesmiddel voor patiënten met Ataxie van Friedreich te regelen. Het Zorginstituut concludeerde in zijn pakketadvies van juli 2025 dat het geneesmiddel, omaveloxolone (Skyclarys®), meerwaarde heeft voor patiënten, en adviseerde het om na prijsonderhandelingen op te nemen in het basispakket, met een geadviseerde korting van 84%. Bij deze onderhandelingen loopt het nu vast. In openbare reacties op de brief van Spierziekten Nederland leggen Biogen en de minister uit hoe zij proberen hieruit te komen.

Dat een bedrijf zo open communiceert over hun inzet bij de onderhandelingen over een geneesmiddel hebben we bij hollandbio niet eerder gezien. Petje af voor Biogen. Als we van alle kanten beter begrijpen hoe de overwegingen rond vergoeding lopen, kunnen we ook het gesprek voeren over hoe het beter kan. Wat voor ons geen nieuws is, is dat het moeilijk is om geneesmiddelen in Nederland vergoed te krijgen. Er zijn namelijk meer patiënten die uitkijken naar een geneesmiddel. Om een greep te doen: een gentherapie voor de behandeling van hemofilie die nota bene op Nederlandse bodem is ontwikkeld, is in veel Europese landen beschikbaar, maar niet in Nederland. En ook een geneesmiddel voor borstkanker wordt hier niet voor alle patiënten vergoed, wat tot schrijnende situaties leidt en Nederland tot de enige uitzondering maakt in Europa.

Van alle geneesmiddelen die tussen 2021 en 2024 bij het Europees Medicijnagentschap zijn geregistreerd is slechts 54% in Nederland beschikbaar. Voor weesgeneesmiddelen is dit zelfs maar 39%. Patiëntenverenigingen als Spierziekten Nederland en Borstkankervereniging Nederland beschrijven helder waar het uitblijven van vergoeding op neerkomt: patiënten die hier verder achteruitgaan, terwijl zij zien dat het geneesmiddel in landen om ons heen wel verkrijgbaar is.

Het wrange is dat we in Nederland wel degelijk manieren hebben om geneesmiddelen te vergoeden, ook wanneer er meer nodig is dan een simpele korting. Bedrijven, overheid en zorgverzekeraars kunnen afspraken maken die passen bij de situatie van een bepaald geneesmiddel. Goede voorbeelden hiervan kunnen we vinden bij de weesgeneesmiddelen, maar daar wordt het ook spannend. Juist nu kiest het ministerie van VWS er namelijk voor om de regeling Voorwaardelijke Toelating flink uit te kleden. En ook de toekomst van het Orphan Drug Access Protocol is ongewis, nu het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen eraan zit te komen. De Tweede Kamer deelt onze zorgen, en nam eind juni bijna unaniem een motie aan die oproept tot een goede route voor de vergoeding van weesgeneesmiddelen.

Rapporten en plannen zijn er legio, maar patiënten hebben er pas echt iets aan als hun behandelingen ook beschikbaar komen. De bouwstenen zijn er en de Kamer heeft de wens voor een goede route duidelijk uitgesproken. Nu is het aan het ministerie om die stenen niet af te breken, maar er juist mee te bouwen. Samen met patiënten, artsen en bedrijven. Want elke maand dat een patiënt niet behandeld kan worden, is een maand dat iemand verder achteruitgaat.

← #nieuws

From ambition to action: financing the biotech solutions of tomorrow

,

Last Thursday afternoon, professionals from across the Dutch biotech ecosystem gathered at De Kas in Woerden for the fifth edition of Biotech for a Future-Proof Planet. Entrepreneurs, investors, researchers, policy makers and ecosystem partners came together to discuss one of the most pressing questions facing the sector today: how do we finance the next generation of biotech plants, food and materials? Against a backdrop of growing international competition and rising political attention for the biotech sector, speakers and attendees explored what is necessary to move biotech from smart ideas all the way to market adoption. The conclusion was clear: building a future-proof planet requires action across the entire ecosystem.

Key players in one room

The afternoon kicked off with a warm welcome from Remco Hermans, board member of the Dutch Biotechnology Association (NBV), who highlighted the value of bringing together people from every corner of the biotech ecosystem – all needed to translate biotech innovation into societal impact.

Building on that message, hollandbio’s Wieteke set the scene by outlining the opportunities and challenges Dutch biotech faces. Around the world, governments and investors increasingly recognise biotech as a strategic technology capable of addressing major societal challenges, from healthcare and food security to sustainability and circularity. At the same time, international competition is intensifying, with the United States and China investing heavily to strengthen their biotech ecosystems.

Wieteke emphasised that biotech innovation depends on a strong and connected ecosystem. An ecosystem, after all, is only as strong as its weakest link. While important progress has been made in recent years, including improvements in GMO permitting procedures and the adoption of new genomic techniques legislation, significant challenges remain. Financing continues to be on top of the list for companies looking to scale.

The scale-up challenge

Next on stage was Willemijn van der Elst, Investment Manager Agrifood at Invest-NL. She offered the audience an early glimpse into Invest-NL’s ongoing biotech deep dives, which are helping shape the organisation’s future ambitions and strategy for strengthening the Dutch biotech ecosystem.

According to Willemijn, the Netherlands has all the ingredients to become a leading biotech hub, including strong science, innovative companies and growing political momentum. Yet scaling innovative companies remains challenging. Across biotech applications, Invest-NL identified five recurring bottlenecks: financing, infrastructure, market adoption, regulation and coordination across value chains.

Drawing on findings from the agrifood deep dive, she explained that reaching commercial scale ultimately requires companies to secure production capacity, build teams with the right expertise and find their first customers. Unlocking the sector’s full economic and societal potential therefore requires action from everyone involved. Governments, investors, companies, ecosystem partners and customers each have a role to play in creating the conditions for growth.

From scientific breakthrough to successful business

Providing the private investor perspective was Guillaume Baxter, Partner at Sofinnova. He reflected on the evolution of industrial biotech over the past decade. The good news, he noted, is that the technology is increasingly mature, talent pools are growing and markets are actively looking for future-proof solutions.

His key message to entrepreneurs was straightforward: scale should be earned, not assumed. Companies must demonstrate they can manufacture at scale, build experienced teams, develop a compelling value proposition and establish a clear route to profitability. Because ultimately, customers only buy products when they are better, cheaper or solve a real problem.

Built in Europe, sold abroad… and now coming home?

The entrepreneurial perspective came from Ferdinand Los, CEO of Hudson River Biotechnology. Through the story of his company, he illustrated how funding, regulation and market development come together in practice.

Although the company is based in the Netherlands, much of its early commercial success came from markets outside Europe. Because genome editing was effectively not an option in the EU, the company was forced to pursue opportunities abroad, while raising capital became increasingly challenging due to the lack of a viable regulatory pathway and limited investor confidence.

The recent adoption of the EU’s Regulation on new genomic techniques (NGT’s) is already changing the picture. As Ferdinand put it, the company received more enquiries from European customers in the past four months than in the previous four years combined. This surge in interest shows the potential impact of the NGT Regulation. However, its ultimate success will depend on how the framework is translated into workable rules over the next two years.

Nevertheless, regulation alone will not be enough. Europe also needs stronger value-chain collaboration and greater access to growth capital if it wants to remain competitive in the global biotech race.

We need bold moves to make progress

The event concluded with an interactive panel discussion featuring Willemijn, Guillaume and Ferdinand, moderated by Wieteke. Topics ranged from AI and talent development to regulation, public acceptance and Europe’s competitiveness in an increasingly global biotech landscape. Although perspectives differed, the speakers largely agreed on three things: Europe has the scientific foundations to succeed, regulation and financing need to better support innovators as they scale, and collaboration across the value chain will be essential to bring biotech solutions to market.

But the discussion also carried a clear warning: Europe cannot afford to continue at its current pace. As Guillaume put it: “If we do not act decisively now, Europe risks being left with little more than a future built on tourism and services. The foundations are there, but scientific excellence and ambitious strategies will mean little unless they are followed by bold decisions and rapid, coordinated action.”

The energy in the room showed that the Dutch biotech ecosystem is ready to play its part. Conversations continued long after the formal program ended, with attendees exchanging ideas, making new connections and exploring opportunities for collaboration. That willingness to work together remains one of the Dutch biotech sector’s greatest strengths. Now, the growing pressure to improve Europe’s competitiveness must create the momentum to break through old barriers, make bold moves and turn ambition into action. The potential is there, but the time to act is now.

Photos by Nils van Houts.

This event was made possible by ChemistryNL.

← #nieuws

To launch or not to launch, is de vraag

, ,

Hollandbio waarschuwde al eerder voor de mogelijk verstrekkende impact van de herziene farmaceutische wetgeving die recent officieel werd aangenomen. Misschien wel bovenaan onze zorgenlijst staat Artikel 59: de lanceerverplichting, die, zeker in de huidige geopolitieke context, explosieve gevolgen kan hebben.

Geen launch binnen drie jaar? Da’s pech, regulatoire marktbescherming weg
De lanceerverplichting (Artikel 59) is – op papier – gericht op het verbeteren van beschikbaarheid en leveringszekerheid van nieuwe geneesmiddelen in elke Europese lidstaat. Volgens de bepaling kunnen individuele lidstaten marktvergunningshouders verzoeken om binnen één jaar na verlening van een Europese handelsvergunning ofwel een geldige aanvraag voor prijsstelling en vergoeding in te dienen, deel te nemen aan nationale aanbestedingsprocedures, of met de betreffende lidstaat tot een roll-out plan voor levering van het geregistreerde product te komen. Voldoet de vergunninghouder binnen drie jaar niet aan dit verzoek, dan vervalt de regulatoire marktbescherming in dat land.

Europa rijkelijk naïef in wereldwijde handelsoorlog
Het zal voor velen geen nieuws zijn, maar onze sector bevindt zich temidden van een geopolitiek schaakspel dat zijn weerga niet kent. Europa heeft daarin een aantal troeven, zoals sterke wetenschap, innovatieve start-ups en fantastisch talent. Helaas kent het Europese biotech ecosysteem ook fikse zwakke plekken: de beschikbaarheid van kapitaal om te schalen en te commercialiseren, ingewikkelde, tijdrovende en kostbare routes voor markttoelating, en, wellicht de zwakste plek: een totaal gefragmenteerde afzetmarkt en beperkte betalingsbereidheid voor innovatie. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, wereldleider in investeringen in biotech innovatie én bovendien de aantrekkelijkste markt voor geneesmiddelen.

Daar willen de VS nu wat voor terug: met Trumps handelstarieven en Most-Favorite-Nation (MFN) beleid van globale referentieprijzen, streven de VS naar een eerlijkere verdeling van de wereldwijde rekening voor innovatie, en bovendien om zo veel mogelijk (productie)schakels van de biotech keten naar eigen territorium te trekken. Het stelt biotech bedrijven voor een duivels dilemma: wanneer zij producten in Europa lanceren, lopen zij het risico hun omzet in de VS, by far de belangrijkste afzetmarkt, te zien teruglopen.

Explosiegevaar: bommetje onder biotechbeleid
Juist in deze geopolitieke context is de lanceerverplichting een bijzonder explosieve wetgevende passage. Want waar het nu meer dan ooit nodig is om een gezamenlijke Europese vuist te maken, en te zorgen voor een sterkere, minder gefragmenteerde Europese afzetmarkt voor innovatieve geneesmiddelen, geeft artikel 59 lidstaten juist alle ruimte om nog meer individuele eisen te stellen aan bedrijven en de fragmentatie te vergroten. En tot overmaat van ramp kiest Europa niet voor de wortel, maar voor de stok: met het verliezen van marktbescherming morrelt Europa aan het fundament van het wereldwijde systeem van biotech innovatie.

Maatregel waarschijnlijk niet doeltreffend
Al staat er rondom artikel 59 nog veel open, hollandbio vreest dat Europa haar hand hier fiks overspeelt. In het huidige geopolitieke geweld is het aannemelijker dat meer fabrikanten af gaan zien van registratie in Europa, dan dat de lanceerverplichting bij gaat dragen aan de beoogde verbetering van beschikbaarheid en leveringszekerheid van innovatieve geneesmiddelen. Je kunt immers wel eisen stellen, maar een bedrijf moet ook kunnen en willen leveren. Dat doen ze doorgaans als eerst daar waar dit financieel het meest loont.

Een doemscenario dreigt: Europa krijgt pas toegang tot innovatieve medicijnen als ze niet meer innovatief zijn, wanneer generieken en biosimilars hun intrede doen. En of de markt nog wel aantrekkelijk genoeg is voor generieken en biosimilars, is dan nog maar de vraag. De aanhoudende race naar de bodem van het generieke prijsbeleid, doet vrezen.

Gelukkig zijn niet alle lidstaten enthousiast over artikel 59, en biedt de passage juist door zijn opzet nog volop ruimte voor eigen invulling bij de implementatie. Het Nederlandse kabinet lijkt zich bewust van de risico’s van dit artikel, getuige ook de beantwoording van vragen die uit dit eerdere Schriftelijk Overleg, waarin de regering zich sceptisch uitlaat over de doeltreffendheid van het concept lanceerverplichting. Het Nederlandse perspectief is er echter slechts één van de 27, en het is nog niet duidelijk hoe andere lidstaten in de wedstrijd zitten. Bij hollandbio zijn we er in ieder geval nog bepaald niet gerust op…

← #nieuws

Zorg voor vruchtbare voedingsbodem bij uitwerking NGT-regels

, ,

Europa heeft met de nieuwe NGT-verordening een belangrijke stap gezet richting toekomstbestendige landbouw. Maar met alleen een mooi wettelijk kader zijn we er nog niet. Of onderzoekers, veredelaars en biotechbedrijven straks écht met deze slimme veredelingstechnieken aan de slag kunnen, hangt nog af van de praktische uitwerking van de regels. Daarom diende hollandbio input in op de uitvoeringsregels voor zowel categorie 1- als categorie 2-NGT-planten. Onze boodschap richting de Europese Commissie: zorg voor werkbare procedures en voorkom dat onnodige informatieverplichtingen, technisch onhaalbare detectie-eisen en ellenlange procedures innovatie alsnog de pas afsnijden.

Zelfde gewassen, maar dan beter

Met nieuwe genomische technieken, zoals CRISPR-Cas, kunnen veredelaars sneller, preciezer en efficiënter werken aan gewassen die beter bestand zijn tegen ziekten, plagen, droogte en hitte, bijvoorbeeld omdat zij efficiënter om kunnen gaan met water en voedingsstoffen of een verbeterde voedingswaarde krijgen. Stuk voor stuk oplossingen waar onze landbouw, voedselvoorziening en planeet om zitten te springen.

De nieuwe Europese verordening maakt daarbij onderscheid tussen twee categorieën. Categorie 1 omvat planten met genetische aanpassingen die ook van nature of via conventionele veredeling zouden kunnen ontstaan. Voor deze planten komt een vereenvoudigde verificatieprocedure. Categorie 2 omvat planten met andere NGT-aanpassingen. Voor deze categorie blijven aangepaste procedures voor risicobeoordeling, notificatie en markttoelating gelden.

De Europese Commissie werkt nu de regels en informatievereisten voor beide categorieën verder uit. De manier waarop deze procedures worden ingericht, bepaalt of de nieuwe verordening daadwerkelijk deuren opent, of innovatie door nieuwe bureaucratische hindernissen opnieuw voor een dichte deur komt te staan. In onze inbrengen (voor categorie 1 hier en voor categorie 2 hier te vinden) formuleren we aandachtspunten voor werkbare NGT-regels.

Kijk naar de plant, niet naar de route ernaartoe

Categorie 1-NGT-planten zijn vergelijkbaar met planten die van nature of via conventionele veredeling kunnen ontstaan. De verificatie hoort daarom maar één vraag te beantwoorden: voldoet de uiteindelijke plant aan de vastgestelde criteria?

Wat hollandbio betreft, moet de beoordeling zich richten op het eindresultaat. Tijdelijke tussenstappen en genetische elementen die tijdens de ontwikkeling zijn gebruikt, maar niet meer in de uiteindelijke plant aanwezig zijn, horen de juridische status van die plant niet te bepalen. Alleen de beoogde NGT-aanpassingen die daadwerkelijk in de uiteindelijke plant aanwezig zijn, moeten worden meegeteld.

De verificatie mag al helemaal niet via de achterdeur veranderen in een nieuwe risico- of toelatingsprocedure. Dat zou haaks staan op het uitgangspunt van de verordening en opnieuw onnodige kosten, vertraging en onzekerheid veroorzaken.

Geen genetische speld in een hooiberg zoeken

Ook de bewijsvoering voor categorie 1 moet proportioneel blijven. Veredelaars en onderzoekers moeten met passende wetenschappelijke methoden kunnen aantonen dat een plant aan de criteria voldoet. Een verplichte standaardroute of rigide checklist past daar niet bij.

Whole-genome sequencing mag daarom geen standaardvereiste worden. Zo’n verplichting zou ertoe kunnen leiden dat iedere aangetroffen genetische variant moet worden verklaard, terwijl variatie ook van nature, tijdens weefselkweek en bij conventionele veredeling ontstaat. Daarmee dreigt de verificatie een zoektocht te worden naar een genetische speld in een hooiberg, zonder dat dit nodig is om de categorie 1-status vast te stellen.

De informatievereisten moeten bovendien werkbaar zijn voor de volle breedte van het biotech-ecosysteem, van start-ups en mkb-bedrijven tot gevestigde veredelaars en publieke onderzoeksinstellingen. Ook ontwikkelaars van kleinere of minder commercieel geteelde gewassen mogen niet worden buitengesloten doordat voor hun gewas minder genomische informatie beschikbaar is.

Zorg voor eén Europees speelveld

Eén Europese verordening vraagt om één Europese uitleg. Wanneer iedere lidstaat eigen informatievereisten, telmethoden of aanvullende beperkingen kan introduceren, ontstaat alsnog een nationale hindernisbaan. Hollandbio pleit er daarom voor dat lidstaten geen aanvullende nationale eisen kunnen toevoegen aan de verordening.

Geef onderzoek en veldproeven de ruimte

Een belangrijk aandachtspunt in onze categorie 1-inbreng is de positie van onderzoek en ontwikkeling. In een vroege onderzoeksfase testen ontwikkelaars vaak verschillende aanpassingen, om vervolgens via selectie tot een uiteindelijke plant te komen die binnen de categorie 1-criteria valt.

Het moet daarom praktisch mogelijk blijven om experimentele lijnen met meer dan twintig aanpassingen in veld- en kasproeven te onderzoeken. Als ieder tussenstadium door een zware toelatingsprocedure moet, worden juist de experimenten geblokkeerd die nodig zijn om geschikte categorie 1-planten te ontwikkelen.

Wanneer zulke proeven alleen onder het volledige bestaande ggo-kader kunnen plaatsvinden en vroege verificatie tegelijkertijd openbaarmaking van concurrentiegevoelige onderzoeksinformatie vraagt, wordt onderzoek buiten Europa ineens een stuk aantrekkelijker. Dat is precies het tegenovergestelde van wat Europa nodig heeft. We willen innovatie hier mogelijk maken, niet haar met zorgvuldig opgetuigde regels de grens over jagen.

Eenmaal categorie 1, blijvend categorie 1

Ook na verificatie moet er duidelijkheid zijn. Een plant die als categorie 1 is geverifieerd, moet vervolgens net als conventioneel uitgangsmateriaal in verdere veredelingsprogramma’s kunnen worden gebruikt.

Eerder beoordeelde aanpassingen mogen bij volgende kruisingen niet telkens opnieuw worden geteld of beoordeeld. Dat geldt ook voor nakomelingen van planten die afzonderlijk al als categorie 1 zijn geverifieerd. Alleen wanneer daarna een nieuwe NGT-toepassing plaatsvindt, horen de nieuw geïntroduceerde aanpassingen te worden bekeken.

Zonder zo’n duurzame status blijft het gebruik van categorie 1-planten in de praktijk onnodig ingewikkeld. Mét die duidelijkheid kunnen veredelaars daadwerkelijk voortbouwen op eerdere innovaties, precies zoals dat bij conventionele veredeling gebeurt.

Laat de regels ook voor categorie 2 het verschil maken

Ook voor categorie 2-planten geldt dat de nieuwe regels alleen verschil maken als de procedures daadwerkelijk slimmer worden ingericht.

Hollandbio pleit uiteindelijk voor een bredere modernisering van het Europese ggo-kader. Regelgeving zou moeten kijken naar de veiligheid en eigenschappen van het uiteindelijke product, in plaats van naar de technologie waarmee dat product is ontwikkeld. Voor categorie 2-NGT-planten moet de beoordeling daarom wetenschappelijk onderbouwd, proportioneel, voorspelbaar en praktisch uitvoerbaar zijn.

Als aanvragen voor categorie 2-planten terechtkomen in dezelfde langdurige, onzekere en politiek gevoelige procedures die de teelt en marktintroductie van ggo-gewassen in Europa al decennialang praktisch onmogelijk maken, dan levert de nieuwe wetgeving niet de beloofde vooruitgang. Een nieuw wettelijk etiket op een oude procedure is niet genoeg.

Het doel moet zijn om de veiligheid van een product zorgvuldig en op basis van wetenschappelijk bewijs te beoordelen. Niet om innovatie vast te laten lopen in een administratief doolhof waaruit zelfs veilige en waardevolle producten niet meer ontsnappen.

Tijd om door te pakken

Europa heeft met de nieuwe NGT-verordening een belangrijke keuze gemaakt voor innovatie. Nu is het zaak die vooruitgang niet alsnog te smoren in een wirwar van bewijsvereisten, nationale verschillen, politiek gevoelige procedures en technisch onhaalbare voorwaarden.

De verordening wordt vanaf 17 juli 2028 van toepassing. Voor die tijd moeten de uitvoeringsregels en bijbehorende richtsnoeren klaar zijn. Hollandbio pleit voor regels die helder, geharmoniseerd, proportioneel en toekomstbestendig zijn. Regels die veiligheid en wetenschappelijke kwaliteit als uitgangspunt nemen, maar ook erkennen hoe onderzoek, plantenveredeling en productontwikkeling in de praktijk werken.

Want alleen wanneer veredelaars en biotechbedrijven slimme veredelingstools daadwerkelijk kunnen gebruiken, kunnen betere gewassen sneller bijdragen aan duurzame landbouw, voedselzekerheid, klimaatadaptatie en een concurrerend Europa.

← #nieuws

Strategische biotech verdient passende financiering

Europa heeft biotech terecht uitgeroepen tot strategische sector en investeert via publieke financieringsprogramma’s als Horizon Europe dan ook volop om onderzoek richting de markt te helpen. Toch leiden meer investeringen helaas nog niet direct tot meer biotech groei, laat een analyse van tien jaar Horizon-grants zien, uitgevoerd door het Centre for Future Generations (CFG). De huidige subsidie-instrumenten zijn volgens het CFG grotendeels ontworpen voor technologieën die relatief snel van onderzoek naar markt gaan. Innovatieve biotech bedrijven hebben daarentegen juist vaak te maken met lange ontwikkeltrajecten, hoge kapitaalbehoeften en complexe opschalingsvraagstukken. Daardoor zijn de beschikbare subsidies regelmatig onvoldoende voor hen om de volgende technische, klinische of commerciële mijlpaal te bereiken. Lees meer

Niet aansluiten op behoeften is gemiste kans

Het onderzoek laat zien dat een groot deel van het Horizon-biotechbudget op dit moment terechtkomt bij grotere consortia en bedrijven binnen concernstructuren. Hoewel mkb-bedrijven 85% van de biotechontvangers vormen, ontvangen zij slechts 22% van de beschikbare financiering. Dat is een gemiste kans. Juist zelfstandige biotech-SME’s laten volgens het CFG na een Horizon-subsidie een omzetgroei van bijna 25% zien, terwijl dat effect bij bedrijven binnen grotere groepen uitblijft. De onderzoekers concluderen daarom dat niet alleen de hoogte van de financiering telt, maar vooral de aansluiting op de behoeften van innovatieve biotechbedrijven.

Strategische financiering is meer dan geld

Het is een conclusie die hollandbio alleen maar kan onderschrijven. Strategische biotech vraagt om strategische financiering: niet alleen meer geld, maar ook passende tickets, continuïteit tussen instrumenten en financiering die daadwerkelijk terechtkomt waar die het verschil maakt. En natuurlijk moet ook het bredere innovatieklimaat kloppen, benadrukt het rapport terecht. Zeker voor industriële biotech zijn ook gedeelde opschalingsinfrastructuur én een markt voor innovatieve producten nodig. Anders financieren we mooie projecten, maar bouwen we nog geen sterke biotech sector.

← #nieuws

Nederland maakt meer proeverijen kweekvlees en -vis mogelijk

, ,

Hoera! Het kabinet heeft met deze Kamerbrief bekendgemaakt dat zij de mogelijkheid voor proeverijen met twee jaar verlengt voor kweekvlees en -vis die nog geen Europese Novel Foods goedkeuring hebben ontvangen. Bovendien krijgen Nederlandse opschalingsfaciliteiten zoals Cultivate at Scale nu ook de ruimte om voor hun klanten proeverijen te organiseren. Lees meer

De proeverijen werden twee jaar geleden opgezet door de ministeries van LVVN en VWS in samenwerking met bedrijven, hollandbio en Cellulaire Agricultuur Nederland. In de tussentijd hebben twee bedrijven in totaal vijf proeverijen georganiseerd en heeft Wageningen Food & Biobased Research (WFBR) een evaluatie uitgevoerd, waarvan de aanbevelingen in het vernieuwde protocol voor de proeverijen zijn opgenomen.

Hollandbio is blij dat we samen met ministeries, bedrijven en andere organisaties tot de vernieuwde proeverijen zijn gekomen. Hiermee brengen we deze producten weer een stapje dichter bij de markt.

← #nieuws

Tweede Kamer maakt werk van vaccinatie voor volwassenen

Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen vorige week maakte de Tweede Kamer werk van ouderenvaccinatie. Met een breed gesteunde motie van fractievoorzitters Struijs (50Plus) en Paternotte (D66) draagt de Kamer het kabinet op het RIVM nog voor de Voorjaarsnota een verkenning te laten uitvoeren naar een Rijksvaccinatieprogramma voor 60-plussers. Daarmee grijpt de Kamer precies het knelpunt aan waar hollandbio al langer op wijst: een samenhangende aanpak kan helpen om vaccinaties tegen onder meer griep, corona, pneumokokken, gordelroos en mogelijk RSV toegankelijker en duidelijker te organiseren. En dat is broodnodig, want ons stelsel is nog altijd een lappendeken, om de woorden van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) maar weer eens aan te halen. Vaccinaties zijn namelijk nog altijd versnipperd geregeld, waardoor niet altijd helder is wat waar, wanneer, door wie en tegen welke kosten beschikbaar is. Een Rijksvaccinatieprogramma voor volwassenen zou wat ons betreft een ontzettend welkome aanvulling zijn op het Rijksvaccinatieprogramma voor kinderen. Bovendien zou het perfect passen in de visie op vaccinatie van 0-100+, waar in de beleidskringen ook nog volop aan gewerkt wordt. Met deze motie ligt er nu een stevige politieke opdracht vanuit de samenleving om daar nu eens echt werk van te maken.

← #nieuws

Kabinetsplannen Economische Zaken: start met knaken én kansrijke kaders voor knappe koppen

,

Biotech stond voor het eerst in de Troonrede, er komen miljarden voor innovatie en doorgroei en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat zet life sciences & biotechnologie nadrukkelijk op de kaart. Na jaren van rapporten, agenda’s en goede bedoelingen lijkt Den Haag eindelijk de motoren te starten. Maar tankt het kabinet ook voldoende brandstof om echt van z’n plaats te komen?

Miljarden voor innoveren, groeien en opschalen

Om met het goede nieuws te beginnen, voor biotechondernemers liggen er nieuwe kansen in het verschiet. Het kabinet zet drie financieringsinstrumenten naast elkaar:

  • Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI): €500 miljoen voor disruptieve innovatie. Biotech is een van de eerste domeinen waarvoor programma’s worden uitgewerkt. In 2027 moet een pilot starten; volledige operationalisering is voorzien in de eerste helft van 2028.
  • Nationaal Groeifonds: €375 miljoen voor strategisch industriebeleid. Biotechnologie is een van de zes focusgebieden. Projecten kunnen €30 tot €100 miljoen ontvangen. Conceptaanvragen kunnen dit najaar naar RVO; definitieve aanvragen volgen medio 2027.
  • Nationale Investeringsinstelling (NII): €3,3 miljard voor groei en opschaling. De NII moet onder marktconforme voorwaarden groei- en opschalingsfinanciering bieden, samen met private investeerders. Over de precieze uitwerking volgt nog meer informatie.

Met NADI, de nieuwe ronde van het Groeifonds en de NII zet het kabinet stappen richting iets waar hollandbio al jaren om vraagt: passende financiering van innovatie tot opschaling.

Positief is bovendien dat NADI als zelfstandige beleidsdeelneming wordt ingericht, juist om autonomie en slagvaardigheid te organiseren. Hollandbio ziet dat afstand tot de dagelijkse politiek belangrijk is, want innovatie vraagt een lange adem. Wie investeringen voor morgen wil doen, moet voorkomen dat ze bij de politieke waan van vandaag weer worden ingehaald.

De bedragen zijn serieus, maar de investeringsbehoefte voor technologie, innovatie en groei is nog veel groter en breder dan alleen biotech. Het is dus geen eindstation, al is het wel een welkome stap vooruit. En investeren in innovatie? Dat juicht hollandbio natuurlijk van harte toe.

Computer says no is geen innovatiebeleid

Ook fiscaal beweegt er wat. De innovatiebox wordt vanaf 2027 toegankelijker voor het MKB en de WBSO-tarieven blijven in 2027 gelijk. Minder goed nieuws is er voor vroege biotechbedrijven die nog te weinig loonheffing afdragen om hun volledige WBSO-voordeel te verzilveren. De voorgestelde carry forward, waarmee startups ongebruikte WBSO later zouden kunnen benutten, komt er voorlopig niet vanwege uitvoeringsproblemen en onduidelijkheid over de meerwaarde.

Computer says no is wat hollandbio betreft geen innovatiebeleid. Als een effectief instrument niet goed aansluit bij jonge, R&D-intensieve bedrijven, moet de vraag niet alleen zijn waarom uitvoering lastig is, maar vooral hoe we het wél werkend krijgen.

Europa beweegt niet? Beweeg zelf

Diezelfde houding missen we bij de OiM-problematiek. Europese staatssteunregels kunnen innovatieve bedrijven op cruciale momenten in hun ontwikkeling beperken. Tijdens het Tweeminutendebat Innovatie van 3 september drongen Kamerleden er opnieuw op aan om niet alleen in Brussel te zoeken naar meer ruimte, maar ook te kijken wat Nederland zelf kan doen.

Dat vindt hollandbio terecht. Natuurlijk moeten Europese regels beter aansluiten bij de realiteit van innovatieve bedrijven. Maar wachten tot Brussel beweegt terwijl biotechbedrijven nú tegen grenzen aanlopen, is geen innovatiebeleid – laat staan ambitieus innovatiebeleid. Daarvoor hoeft er niet altijd meer geld bij: betere, werkbare voorwaarden maken soms al een wereld van verschil.

Een slagvaardige Taskforce?

En dan de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Die kan misschien wel belangrijker worden dan de afzonderlijke potten geld, wanneer deze genoeg slagkracht krijgt.

Het ministerie van EZK kan financieringsinstrumenten bouwen en innovatiebeleid maken, maar niet in haar eentje zorgen voor een sterk biotechklimaat. Daar hebben ook andere ministeries een belangrijke rol in: zoals I&W voor werkbare regelgeving en vergunningen, LVVN voor betere regels rondom voedselinnovaties en VWS om zijn rol in de zorg te benutten om innovaties sneller bij patiënten te krijgen.

Precies daarom is de Taskforce interessant: meerdere ministeries moeten samen barrières doorbreken rond onder andere innovatie, talent en vestigingsklimaat. Maar net als bij de uitvoeringsagenda van de Integrale Visie Biotechnologie ziet hollandbio nog weinig beweging op bijvoorbeeld markttoegang. En wil je echt private investeringen in R&D en opschaling aanjagen, dan moet er zicht zijn op een rendement.

De Taskforce is daarom een goede eerste stap. De lakmoesproef komt de komende tijd rond de vraag of de ministeries en bewindspersonen erin slagen samen te werken aan het gezamenlijk verbeteren van de randvoorwaarden in voor Nederland belangrijke sectoren. De biotech sector staat te popelen om hier samen met de overheid werk van te maken.

Van plannenproductie naar echte uitvoering

Alles bij elkaar staat biotech nadrukkelijker op de Nederlandse kaart. NADI, NII en de nieuwe Groeifondsronde kunnen belangrijke gaten in het financieringslandschap helpen dichten. En dat toekomstige welvaart interdepartementaal aandacht krijgt, is winst. Voor biotech vraagt dat om een aanpak door de hele keten willen we succes behalen: van kennis, valorisatie en financiering tot talent, regelgeving, productie, markttoegang en opschaling. Blokkeert één van deze schakels, dan komt die briljante innovatie alsnog niet vooruit.

Tijd dus om van woorden naar daden te gaan. Niet nóg een analyse van wat er misgaat, maar beginnen met oplossen wat we allang weten. Slecht die departementale grenzen, maak stappen vooruit onder gezamenlijke verantwoordelijkheid. En randvoorwaarden waarmee onze knappe koppen niet alleen iets briljants kunnen bedenken, maar het hier ook kunnen ontwikkelen, financieren, produceren, naar de markt brengen én opschalen. Dán beginnen de economische motoren pas echt te ronken.

← #nieuws

Het zorgdebat gaat te snel over geld en te weinig over keuzes

Belangrijk signaal van een zorgverzekeraar: volgens CZ-bestuursvoorzitter Joep de Groot gaat het in het zorgdebat te snel over geld en te weinig over welke vraag we nu eigenlijk op proberen te lossen. Bij zijn oproep dat de landelijke politiek het vraagstuk ‘(gezondheids)zorg’ in de volle breedte moet bekijken, sluiten we ons als hollandbio graag aan. Ook wij vragen ons namelijk meer en meer af of we überhaupt nog wel de goede dingen doen – of toch vooral bezig zijn om in afzondering (silo’s) dingen goed te doen. Zoals een mooie Engelse uitdrukking gaat: you can’t iterate on a burning platform.

Wat heb je nodig wanneer je ziek wordt?

Ons huidige zorgsysteem is gebouwd in en voor een andere tijd, met minder patiënten, minder behandelmogelijkheden en minder kennis over individuele verschillen. Nu kunnen we – onder meer dankzij vooruitgang in de biotech – ziektes steeds beter opsporen en behandelingen afstemmen op wat de individuele patiënt nodig heeft. Deze nieuwe werkelijkheid vraagt om een nieuwe aanpak en juist daarover zou het gesprek in hollandbio’s optiek óók moeten gaan. Niet enkel in silo’s innoveren, maar juist de wijze waarop we dat doen eens goed tegen het licht houden. En ja, dat is spannend, maar ja, het is ook broodnodig, zoals de steeds verder spaaklopende toegang tot innovaties laat zien. Laten we daarom onze gezondheid weer centraal stellen in de zorg. Wij gaan graag in gesprek over hoe we onze doktertas nu en in de toekomst zo goed mogelijk kunnen vullen. Want het is hoog tijd om te investeren in gezondheid op maat.

← #nieuws

Klimaatdoelen vragen om opschaling en toepassing van toekomstbestendige oplossingen

Nederland dreigt de wettelijk verankerde klimaatdoelen voor 2030, 2040 en 2050 niet te halen. Dat blijkt uit de nieuwste Klimaat en Energieverkenning, waarin het Planbureau voor de Leefomgeving concludeert dat het huidige klimaatbeleid onvoldoende is om de noodzakelijke emissiereducties te realiseren. Ook de Raad van State (RvS) stelt dat het halen van die doelen meer vraagt dan alleen het optimaliseren van bestaande systemen. Klimaatneutraliteit vraagt volgens de RvS ook om nieuwe manieren van produceren, consumeren en omgaan met grondstoffen, én om beleid dat ervoor zorgt dat nieuwe oplossingen daadwerkelijk hun weg vinden naar de samenleving.

Opschaling en toepassing van slimme oplossingen loopt te vaak mis

Aan slimme oplossingen gelukkig geen gebrek. Binnen én buiten de biotech werken knappe koppen volop aan innovaties die kunnen bijdragen aan een wereld mét toekomst. Denk aan biobased materialen die fossiele grondstoffen vervangen, nieuwe voedingsmiddelen die vriendelijker zijn voor dier en planeet of gewassen die beter bestand zijn tegen droogte en andere gevolgen van klimaatverandering.

Toch gaat het volgens de RvS bij het opschalen en toepassen van deze oplossingen mis. Nog te vaak lopen innovatieve bedrijven tegen bekende barrières aan, zoals beperkte toegang tot financiering, complexe vergunningprocedures en een gebrek aan ondersteuning bij de stap van startup naar scale-up. Daardoor blijven veel veelbelovende innovaties hangen in pilots, demonstratieprojecten of kleinschalige productie of duurt de stap van technologie naar grootschalige toepassing vaak veel langer dan nodig zou moeten zijn.

Innovatieve producten die de markt halen betreden een ongelijk speelveld

En zelfs als innovatieve producten de markt bereiken, ziet de RvS, is succes niet vanzelfsprekend. Consumenten kiezen uiteindelijk namelijk alleen voor klimaatvriendelijke producten als ze ook betaalbaar, aantrekkelijk en gebruiksvriendelijk zijn. Klimaatvriendelijke innovaties concurreren daardoor nog vaak met de fossiele industrie en conventionele landbouw, waarbinnen producten al jarenlang volledig zijn opgeschaald en kosten zijn geoptimaliseerd. Dat maakt het voor nieuwe oplossingen lastig om door te breken, ook wanneer ze aantoonbaar beter zijn voor mens, dier en planeet.

Dus is het volgens de RvS belangrijk dat de overheid voorwaarden creëert waarin toekomstbestendige oplossingen wél kunnen opschalen en hun weg vinden naar de samenleving. Door bijvoorbeeld ruimte te maken voor innovatieve bedrijvigheid, startups te helpen doorgroeien naar scale-ups, markten te openen voor klimaatvriendelijke alternatieven en een gelijk speelveld te creëren via normeringen, publieke inkoop en prijsprikkels, kunnen klimaatvriendelijke keuzes uitgroeien tot vanzelfsprekende keuzes. Want pas wanneer innovatieve producten de stap kunnen maken van lab naar schap en van niche naar nieuwe standaard, kunnen zij de impact maken die nodig is om Nederland klimaatneutraal te maken.