Ruim een half miljoen Nederlanders gebruikt cannabis om medische redenen, terwijl slechts 7.000 patiënten medicinale cannabis krijgen op doktersrecept. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Trimbos Instituut. Volgens Trimbos zouden veel mensen liever medicinale cannabis op recept krijgen, maar lopen zij in de praktijk tegen tal van drempels aan.
Het is voor het eerst dat een onderzoek inzicht geeft in deze groep en in waarom zij geen cannabis via de reguliere zorg verkrijgen. Tegen EenVandaag vertellen gebruikers over hoe effectief de cannabis bij hen werkt tegen uiteenlopende aandoeningen. Ook zijn er verhalen van gebruikers die daardoor klachtenvrij zijn gestopt met andere medicatie waar ze nare bijwerkingen van ervaren.
Ongecontroleerd aanbod niet zonder risico’s
Het is begrijpelijk dat een grote groep Nederlanders bereid is te onderzoeken wat verlichting van hun klachten biedt. Als je ziek bent, wil je namelijk maar één ding, en dat is beter worden. Toch is het gebruik van niet-voorgeschreven cannabis niet zonder risico’s. Vaak hebben gebruikers geen duidelijk inzicht in de hoeveelheid werkzame stoffen, of zijn er zelfs zorgen over (gebrek aan toezicht op) mogelijke vervuiling. Ook wijst Trimbos op de gebruiksvorm: roken samen met tabak is schadelijker dan andere manieren van gebruik, zoals verdampen of innemen van cannabisolie. Daarnaast gebruiken sommigen de cannabis naast andere medicatie, zonder dat bijvoorbeeld apothekers kunnen meedenken over de onderlinge samenhang.
Wel legaal, niet bereikbaar
Sommige gebruikers willen graag gebruikmaken van de bestaande medische route, waar zowel de Opiumwet als de Geneesmiddelenwet bescherming bieden tegen die zorgen. Zo weten patiënten precies wat erin zit, is de kwaliteit gegarandeerd en zijn ze niet aangewezen op ongecontroleerd aanbod. Uit het onderzoek blijkt dat veel mensen liever medicinale cannabis op doktersrecept zouden krijgen. “Voor hen is het frustrerend om te weten dat medicinale cannabis legaal is in Nederland, maar dat ze er geen toegang toe hebben,” aldus Lisa Strada, projectleider van het onderzoek.
Hoge drempels leiden tot ongecontroleerd aanbod
Artsen zijn de aangewezen beroepsgroep om patiënten te behandelen, maar het voorschrijven wordt in de praktijk belemmerd door stigma’s en gebrek aan kennis. Voor patiënten spelen ook financiële overwegingen een rol; zorgverzekeraars hebben de vergoeding voor medicinale cannabis in 2018 gestopt. Daarnaast geven patiënten om uiteenlopende redenen aan dat zij meer keuze willen. Omdat het medische alternatief niet altijd uitkomst biedt, zijn zij aangewezen op ongecontroleerde aanbieders uit het coffeeshopcircuit of niet altijd ongevaarlijke zelfkweek. Toch is dat al jarenlang staande praktijk, ondanks herhaaldelijke oproepen vanuit de Tweede Kamer en uitspraken van rechters.
Hoognodige wetswijziging vindt plaats na de zomer
Trimbos dringt aan op verandering: ‘Beleidsaanpassingen zijn nodig om de toegankelijkheid te verbeteren en de zorg beter te laten aansluiten bij de behoeften van patiënten. Dit kan het gebruik van ongereguleerde cannabis terugdringen en tegelijkertijd de gezondheid van patiënten beter waarborgen.’ Ook het Instituut Medicinale Cannabis Nederland (IMC Nederland) ziet de toegang tot voorgeschreven medicinale cannabis graag verbeteren. IMC-voorzitter Renger Witkamp: “Wij roepen de nieuwe minister dan ook op het Trimbos-rapport uitvoerig te bestuderen en er lessen uit te trekken.” Ook hollandbio zal daarover in gesprek blijven met het ministerie van VWS en de Tweede Kamer, die zich volgens de laatste planning na de zomer zal buigen over de hoognodige wetswijziging.
Hollandbio connects, represents, and supports the Dutch life science sector. We are very proud to represent over 270 companies: from start-ups, small and medium-sized companies, to large companies, active in health, food, or the biobased economy. Today, we are happy to introduce Akin Solutions – a Dutch biotech company that turns rubber waste into high-quality recycled material. Their enzyme-powered biorefinery makes it possible to recycle rubber to a virgin-like quality while also producing valuable coproducts. This enables reuse in demanding applications such as tires and industrial products instead of being downcycled.
Rubber is essential to modern life, from mobility to medical devices, but its supply chain is under pressure. Natural rubber drives deforestation and supply risks, while synthetic rubber relies on fossil resources and has a high carbon footprint. At the same time, most end-of-life rubber cannot be recycled into materials suitable for high-performance use.
Akin Solutions addresses this challenge by refining devulcanized rubber through targeted processing and separation to restore performance and consistency without degradation. Their biorefinery platform is designed to integrate into existing recycling facilities, making deployment easier. Their molecular imaging services help verify how the resulting material performs in real-world products.
Akin Solutions seeks partnerships with recyclers and manufacturers to advance their technology and demonstrate industrial-scale performance. By joining HollandBio, they aim to stay informed on political developments, address obstacles, and further integrate into the Dutch biotech ecosystem for materials development.
De overheid gaat vernieuwen om efficiënter en effectiever te worden. Het ambtenarenapparaat is namelijk flink gegroeid, constateert kabinet-Jetten, maar de productiviteitsgroei bleef achter. Een efficiëntieslag binnen de Rijksoverheid moet het elfvoudige opleveren van wat het aanstaande kabinet nog uit de geneesmiddelenbegroting denkt te kunnen persen. Hoog tijd voor nieuwe manieren van samenwerken, want ook voor ons zorgsysteem geldt: extra beleid en nog meer pleisters maakt Nederland niet beter, innoveren is onze enige uitweg.
Ook FD-columnist Sebastien Valkenberg legt de vinger op de zere plek (achter inlog): “De innovatie hapert, terwijl daar onze economische groei vandaan moet komen. Doorbraken, het is de afgelopen maanden al veelvuldig gezegd, komen nu veelal uit de Verenigde Staten en China. Deze innovatiecrisis is er eentje met vele oorzaken. Maar steevast bovenaan staat de fnuikende werking van goedbedoeld beleid. Waar we ooit koploper waren bij de ontwikkeling van geneesmiddelen, zijn we nu in veel opzichten afgehaakt. Vorig jaar sloeg wetenschapper-ondernemer Sander van Deventer alarm over de regelgeving. Het is tijdrovend om goedkeuring te krijgen voor gen- of celtherapie-onderzoek. ‘Inmiddels is Nederland een van de traagste landen in Europa bij de introductie van geneesmiddelen.’ Armoe troef, en beterschap is nog altijd ver te zoeken.
De aanstaande coalitie wil de toch al lege citroen nog verder uitknijpen en extra bezuinigen op medicijnen. Maar er valt alleen nog geld te ‘besparen’ door patiënten de botweg toegang te onthouden tot de nieuwste behandelingen. Zij zijn de dupe en betalen de rekening, met hun gezondheid – of met hun eigen geld.
Iedereen voelt het aan: dit systeem houdt het niet lang meer vol. Toch blijven we het oplappen, in de hoop dat het nog even meegaat. Terwijl steeds duidelijker wordt: het systeem is gebouwd in een andere tijd. In hoog tempo worden nieuwe oplossingen ontwikkeld door wetenschappers en innovatieve bedrijven. Maar het zorgsysteem waarin die innovaties moeten landen, is daar nog niet klaar voor. Het is opgebouwd rondom controle, vaste protocollen en standaardzorg. Het is ontworpen in een tijd van handgeschreven receptbriefjes, je patiëntgegevens op stickervellen en de fax als redmiddel bij spoedgevallen.
Nieuwe behandelingen krijgen geen kans in het huidige systeem. Vernieuwing wordt nog te vaak gezien als luxe, terwijl het onze enige uitweg uit het zorginfarct is. Nederland heeft grote ambities uitgesproken. In 2040 willen we tot de wereldtop behoren op het gebied van biotech. Maar dat lukt niet alleen met meer onderzoek of plannen op papier. Als het systeem geen ruimte biedt voor vernieuwing, blijft het bij mooie woorden, terwijl we daden nodig hebben. Daden in de vorm van andere spelregels en nieuwe manieren van samenwerken. In andere sectoren zien we successen. Daar trekken overheid, wetenschap en bedrijven samen op in de ‘gouden driehoek’. Die samenwerking heeft zich daar ruimschoots bewezen. Waarom zouden we dat niet ook in de zorg doen?
Biotech laat zien wat mogelijk is: zorg op maat, sneller herstel en minder druk op zorgverleners. Stop met pleisters plakken op een systeem dat niet werkt. Bouw aan een omgeving waarin innovatie echt de ruimte krijgt. Alleen dan maken we samen onze ambitie waar: betere zorg, nu en in de toekomst.
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Idalia Dlugoszhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgIdalia Dlugosz2026-02-10 15:13:162026-02-10 15:13:17De overheid aan het afslanken← #nieuws
Moet onze overheid bewijzen dat aanpassingen aan het gezondheidsbeleid het gewenste effect beogen? In de Volkskrant legt Erasmus-universitair docent Bastian Ravesteijn deze fundamentele vraag op tafel naar aanleiding van de voorgenomen verhoging van het eigen risico. Want waar de nieuwe coalitie interventies in de zorg weliswaar nóg strenger wil toetsen op bewezen effectiviteit voordat ze mogen inzetten, lijkt het wijzigen van het eigen beleid –ondanks bestaande wetgeving op dit vlak– vreemd genoeg vrijgesteld van enige eis zich voor invoering te bewijzen.
Ook rond geneesmiddelen ziet hollandbio de overheid regelmatig klakkeloos beleidswijzigingen doorvoeren, zonder dat de doeltreffendheid van deze maatregelen vooraf in kaart is gebracht. Zo introduceerde het Zorginstituut het afgelopen jaar bijvoorbeeld twee nieuwe pakketcriteria over arbeidsinzet en duurzaamheid. En hoewel zelfs de commissie die hierover adviseerde nog twijfel uitsprak over de keuze van de criteria en vraagtekens had bij de (sc)haalbaarheid van haar eigen plan, stond dit invoer niet in de weg – kritiek vanuit wetenschap en de sector ten spijt.
Recenter nog zagen we de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet één, niet twee, maar zelfs drie keer een ‘nee’ verkopen aan een bewezen effectief geneesmiddel, omdat hij de prijs ‘niet maatschappelijk verantwoord’ acht. De minister verwees in zijn argumentatie naar het adviestraject Maatschappelijk Aanvaardbare Uitgaven Geneesmiddelen van het Zorginstituut, de Nederlandse Zorgautoriteit en de Autoriteit Consument en Markt. Een advies waar wat hollandbio betreft nog van alles op aan te merken viel, en waar de Kamer bovendien nog niet over heeft kunnen debatteren.
Ravesteijn legt met zijn kritische vraag de vinger op de zere plek. De zorg piept en kraakt in haar voegen, en als remedie grijpen we maar al te vaak naar pleisters die snel wat verlichting moeten brengen. Het gevolg van al die lapmiddelen is dat we de zorg steeds verder op slot zetten. Terwijl we eigenlijk wel aanvoelen dat dit stelsel gebouwd is in en voor een heel andere tijd en meer radicale vernieuwing onafwendbaar is.
Wanneer we écht beterschap willen, zullen we elkaar de komende tijd vaker lastige vragen moeten stellen. Niet alleen of we dingen juist doen, maar ook of we de juiste dingen doen. Wat eigenlijk ‘de bedoeling’ van ons beleid is, en hoe we bepalen of we daarin succesvol zijn. In de ideale wereld halen we namelijk óók bewijs op om beleid mee te verbeteren. En wanneer dat aan de voorkant te veel werk kost, is het toch ten minste zaak om voor een goede feedbackloop te zorgen, waarmee we in de praktijk ofwel bewijzen dat we goede beleidskeuzes hebben gemaakt, ofwel zo snel mogelijk kunnen bijsturen.
Uiteindelijk wil iedereen graag zijn of haar steentje bijdragen aan de volksgezondheid. En juist met behulp van het stellen van kritische vragen en reflectie, ontstaat er ruimte om met elkaar te werken aan beterschap. Zo organiseren we een klimaat waarin we al lerend de zorg verbeteren. Én burgers en patiënten nu en in de toekomst van gezondheid op maat blijven voorzien, in een bewezen effectieve gezondheidszorgstelsel.
2025 was – helaas – opnieuw een jaar vol klimaatrecords. Volgens Copernicus was 2025 het op twee na warmste jaar ooit, slechts nét iets koeler dan recordjaar 2024. De afgelopen drie jaar lagen de wereldwijde temperaturen zelfs boven de 1,5 °C‑grens uit het Klimaatakkoord van Parijs. Ook Nederland warmt snel op, sneller dan het wereldgemiddelde. Uit het KNMI‑rapport De Staat van ons Klimaat 2025 blijkt dat Nederland nu al duidelijk de gevolgen voelt van klimaatverandering: warmere jaren, langere periodes van droogte en vaker grillig en extreem weer. Ons land wordt sneller droger, warmer en kwetsbaarder en dat raakt direct onze voedselproductie, natuur en energievoorziening. Slimme oplossingen zijn nodig, het is tijd voor actie, hier en nu!
Biotech voor een biobased circulaire economie
Biotech maakt het mogelijk om materialen, chemicaliën en brandstoffen te produceren zonder fossiele grondstoffen. Daarmee reduceren we schadelijk uitstoot, zoals CO2, verkleinen we bovendien onze afhankelijkheid van landen als China en Rusland, en versterken we economische weerbaarheid. Ook speelt biotech een sleutelrol in het verhogen van de circulariteit door biomassa en reststromen om te zetten in nieuwe grondstoffen. Helaas wordt biotech in het klimaatdebat nog te vaak weggezet als een niche, of iets voor later. Dat is onterecht: de technologie en producten zijn er al, werken al en passen we al toe. Vaak is het een kwestie van opschalen en doorpakken. Wat echter ontbreekt, is politieke durf en daden om deze transitie echt te versnellen.
Biotech voor een klimaatvriendelijk voedselsysteem
Extreem zonnige en droge jaren worden in Nederland steeds normaler, met alle gevolgen van dien voor onze landbouw – een van de belangrijkste economische sectoren van ons land. Biotech biedt verlichting: de sector helpt gewassen te ontwikkelen die beter tegen hitte en droogte kunnen, en maakt het mogelijk om eiwitten en andere voedingsmiddelen te produceren met véél minder landgebruik, water, uitstoot én dierenleed. Dit zijn geen verre toekomstdromen, maar oplossingen die nu al bestaan, vaak zelfs ontwikkeld op eigen bodem.
Waarom wachten we nog?
Zowel Copernicus als het KNMI waarschuwen dat de temperatuur de komende jaren waarschijnlijk structureel meer dan 1,5 °C zal stijgen. Nederland voelt de gevolgen nu al: hittegolven, droogte, natuurbranden en lage windsnelheden die onze energieopwekking remmen. Gelukkig is Nederland een land van aanpakkers. We overwonnen problemen al eerder door met lef te kiezen voor vooruitgang: van de ontwikkeling van de Deltawerken tot onze wereldwijde koppositie in de landbouw. En ook nu kunnen we dat weer. Immers, ook in de biotech lopen we weer voorop. Met lef, slimme investeringen en gezamenlijke spelregels biedt biotech ook de volgende generaties toekomstperspectief.
De tijd om te handelen is nu
Als we onze samenleving veilig, betaalbaar en leefbaar willen houden, moeten we ruimte maken voor biotech en nieuwe manieren van produceren en consumeren. Dat is geen bedreiging, maar de logische en noodzakelijke volgende stap vooruit. Nederland heeft een traditie van innovatie en lef. De huidige klimaatcrisis vraagt opnieuw om die houding. En al is ook biotech geen silver bullet, vormt het wel degelijk een onmisbaar onderdeel van elke realistische route naar een wereld mét toekomst.
Als we willen dat we met biotech ons toekomstige verdienvermogen veiligstellen, dan is er werk aan de winkel. Dat concludeert De Telegraaf in een recent artikel, dat beschrijft hoe kapitaal moeilijk te verkrijgen is en hoe strenge regels in Nederland bedrijven vaker laten overwegen om de toekomst in het buitenland te zoeken. Enorm zonde als het je het hollandbio vraagt. We ontwikkelen geweldige slimme oplossingen in Nederland, maar als bedrijven niet hier kunnen schalen door gebrek aan financiering, knellende regelgeving of slechte toegang tot de markt, dan verdwijnt de winst naar het buitenland. ‘Het is wrang dat wat hier ontwikkeld is, niet voor de Nederlandse patiënt beschikbaar is,’ beschrijft Erik Holl, algemeen directeur van Johnson & Johnson Nederland, treffend in het stuk.
De Telegraaf haalt als voorbeeld de situatie van biotechbedrijf Glycostem aan, dat in Oss werkt aan een behandeling tegen verschillende soorten kanker. Na succesvolle eerste klinische studies is er nu substantieel kapitaal nodig om fase 2 en 3 te bekostigen. In Nederland of Europa is het lastig om bij elkaar te krijgen. Bij gebrek aan beschikbare financiering overweegt het bedrijf daarom uit te wijken naar onder meer de Verenigde Staten of China. Die beweging is ook terug te zien in cijfers. Waar de VS in 1990 nog 26% van alle R&D‑investeringen voor nieuwe geneesmiddelen voor zijn rekening nam, is dat inmiddels 55%. Europa ging in dezelfde periode van 49% naar slechts 33%, aldus de sectoranalyse van de ING.
Wat hollandbio betreft, is de boodschap duidelijk: willen we een leidende rol blijven spelen in biotech, dan moeten we nú werk maken van betere toegang tot kapitaal, slimme regelgeving en aantrekkelijke markttoegang voor innovatieve bedrijven. Momenteel zijn er via het rapport van Peter Wennink, de kabinetsbrede visie biotechnologie en Europese Biotech Act veel plannen gemaakt, maar aan alleen plannen hebben bedrijven weinig. Het is tijd dat we in Nederland en Europa overgaan tot actie. Alleen dan kunnen we de geweldige dingen die we in Nederland uitvinden ook omzetten in economische en maatschappelijke winst in ons eigen land.
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Idalia Dlugoszhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgIdalia Dlugosz2026-02-10 14:46:282026-02-10 14:47:51Doorbraken in de zorg verdwijnen naar het buitenland← #nieuws
Sinds deze week versterkt Violet van der Eijk het team van hollandbio als stagiaire. Ze zal voor vijf maanden stagelopen als onderdeel van haar master Biomedical Sciences aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Binnen deze master volgt ze de specialisaties Neurobiologie en Science in Society. Violet heeft al van jongs af aan interesse in de etiologie, pathologie en behandeling van aandoeningen, wat haar motiveerde om de bachelor Biomedische Wetenschappen te volgen. Tijdens haar master kreeg ze de mogelijkheid om haar kennis in wetenschap en onderzoek te combineren met beleidsvorming en organisatieprocessen. Bij hollandbio krijgt Violet de kans om deze kennis verder uit te breiden, in de praktijk toe te passen en actief bij te dragen aan de sector. Haar stageonderzoek zoomt in op een vraagstuk dat bepalend is voor de toekomst van gezondheid op maat: hoe regelgeving en vergoeding de ontwikkeling van gepersonaliseerde medicijnen kunnen maken of breken.
Violet onderzoekt de komende tijd hoe nationale en internationale regelgeving en vergoedingen de opkomst van gepersonaliseerde medicijnen beïnvloeden. Hoe doet Nederland dit ten opzichte van andere landen? En hoe ervaren stakeholders, zoals academische ontwikkelaars, mkb’ers en grote farmaceutische bedrijven, deze vereisten in de praktijk? Violet brengt in kaart hoe het Nederlandse framework is ingericht en in hoeverre het huidige systeem de ontwikkeling en klinische toepassing van gepersonaliseerde medicijnen faciliteert. Met inzicht in de kansen en knelpunten kan hollandbio zich nog sterker inzetten voor verbeteringen in de regelgeving en vergoeding van deze medicijnen.
Violet: “Ik kijk ernaar uit om mij verder te verdiepen in zowel de nationale als internationale biotechsector en tijdens mijn stage mijn interesse in gepersonaliseerde medicijnen en regelgeving toe te passen. Daarnaast verheug ik me erop om het hollandbio-team te leren kennen en van hun kennis en ervaring te leren.” Hollandbio heet Violet van harte welkom en wenst haar succes!
Subsidies spelen een cruciale rol in het mogelijk maken van biotech innovatie, waar ontwikkeltrajecten vaak lang, risicovol en kapitaalintensief zijn. Toch is het voor biotech bedrijven moeilijk een subsidieregeling te vinden die aansluit op hun unieke behoeften. Wat hollandbio betreft voldoet een succesvolle subsidieregeling aan zes voorwaarden. Benieuwd in hoeverre De Vroege Fase Financiering (VFF) aansluit bij de behoeften van biotech? In een nieuwe infographic scoren we deze subsidie op een schaal van 1 tot 10.
De Vroege Fase Financiering (VFF) is een lening die innovatieve starters en het mkb helpt om een kansrijk idee van plan- naar startfase te brengen. Het merendeel van de aanvragers is actief in High Tech Systemen & Materialen en zo’n 20% in biotech, waarvan 15.5% in Life Science & Health en 4,7% in Agri & Food. Voor bedrijven verloopt de verstrekking via de regio’s Noord‑Holland, Zuid‑Holland, Utrecht, Zeeland en Noord‑Brabant, of via RVO voor de rest van Nederland. Aanvragen van academische en toegepast‑onderzoeksorganisaties lopen via NWO. De precieze eisen en voorwaarden kunnen per regio of aanbieder verschillen. Een intentieverklaring van een private investeerder voor de periode na de VFF is altijd vereist. Afhankelijk van het type organisatie financiert de VFF 35% tot 100% van het projectbedrag, dat in totaal minimaal €50.000 en maximaal €450.000 bedraagt.
Wil een subsidie zoals de VFF aansluiten bij biotech, dan moet die wat hollandbio betreft aan de volgende zes voorwaarden voldoen:
De regeling maakt vervolgfinanciering interessant, zodat investeerders vertrouwen houden en bedrijven de lange weg van lab naar markt kunnen voltooien.
De voorwaarden rond intellectueel eigendom (IP) zijn innovatie- en marktgericht, zonder knellende afspraken, publicatie-eisen of pandrechten die investeerbaarheid ondermijnen.
De verhouding tussen administratieve lasten en het subsidiebedrag is in balans. Het subsidiebedrag is groot genoeg om impactvolle investeringen mogelijk te maken en niet te complex, zodat ondernemers niet afhaken.
De regeling zet de ondernemer centraal. Ondernemers hebben zeggenschap over het project, zodat de samenwerking bijdraagt aan hun R&D-ambities en inhoudelijk relevant is voor de markt.
De beoordelingsprocedures zijn snel en flexibel, zodat projecten op het juiste moment kunnen starten om daadwerkelijk impact te maken.
Het beschikbare budget is toereikend en bereikbaar voor start- en scaleups, zodat kwalitatief goede projecten van groeiende bedrijven niet onnodig worden afgewezen.
Hoe scoort de VFF?
Wanneer we de VFF langs onze meetlat leggen, ontstaat het volgende beeld:
Om in aanmerking te komen voor een VFF-lening, is een intentieverklaring voor vervolgfinanciering verplicht. Voor biotech bedrijven met een hoge kapitaalbehoefte wringt dit: investeerders steken hun geld liever direct in onderzoek en ontwikkeling dan in het aflossen van een lening voor eerder werk. Daarnaast gelden strikte financieringsvoorwaarden: afhankelijk van het type organisatie financiert de VFF 35% (groot mkb), 45% (klein mkb) of 100% (innovatieve starters) van het project, en die lening met een rente van 7,21% (voor 2025) moet vanaf drie jaar na de start al worden terugbetaald. Dat is voor biotechbedrijven extra uitdagend, omdat inkomsten in die fase doorgaans nog niet in zicht zijn. Ook blijken de VFF-voorwaarden per regio te verschillen: in Zuid-Holland betreft de subsidie bijvoorbeeld een converteerbare lening die loopt via UNIIQ. De nationale regeling biedt deze mogelijkheid niet en is daardoor minder aantrekkelijk voor vervolgfinanciering. Door deze combinatie van beperkingen scoort de regeling op dit onderwerp een 4 uit 10.
Op het gebied van IP-bescherming scoort de VFF sterk: 9 uit 10. Als het IP bij het bedrijf in bezit is of via een exclusieve licentie is verkregen, blijft het daar. Bij aanvragen via NWO geldt zelfs een extra verplichte verklaring dat de betrokken kennisinstelling bereid is: “zodanige rechten op de intellectueel eigendom te verlenen zodat dit later in het proces geen belemmering vormt”. Daarmee sluit de regeling goed aan op de investeerbaarheid van biotech innovaties.
De administratieve last voor de VFF is merkbaar. Het is even zoeken bij welk regionaal of nationaal loket je precies moet zijn en ook de aanvraag zelf kost best wat tijd. En daarnaast voegt het rondkrijgen van de intentieverklaringen van private financiers ook extra druk toe. Het bedrag dat je er bij toekenning voor terugkrijgt, kan echter wel substantieel en daarmee de moeite waard zijn, wat zorgt voor een score van 6 uit 10.
De VFF laat de zeggenschap over het project volledig bij het bedrijf zelf, zonder dat er een consortium hoeft worden opgetuigd. Wel moet een investeerder vooraf een intentieverklaring afgeven, wat de wendbaarheid van het bedrijf in de vroege fase beperkt – een moment waarop juist nog van alles kan veranderen. We geven daarom een 7 uit 10.
De standaard doorlooptijd van de VFF is met 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode netjes en voorspelbaar. Toch blijkt deze in de praktijk per regio te kunnen verschillen en soms langer uit te vallen. Dat is jammer, want een korte en voorspelbare doorlooptijd helpt bedrijven plannen en zorgt ervoor dat projecten relatief snel kunnen starten. Daarom scoort de VFF op dit onderdeel wat ons betreft een 8 uit 10.
Het relatief lage slagingspercentage van 32% laat zien dat de vraag aanzienlijk hoger is dan het beschikbare budget. Dat is zonde, want daarmee kan deze aantrekkelijke regeling niet iedereen bedienen, wat zorgt voor een score van 6 uit 10.
Al met al is de VFF een bruikbare optie voor biotech bedrijven om de vroege fase van productontwikkeling te financieren. Op IP-bescherming en doorlooptijd scoort de regeling goed. Tegelijkertijd zijn het lage slagingspercentage en de verplichtingen rond vervolgfinanciering belangrijke knelpunten waar wat ons betreft nog winst te behalen is.
Heb jij ervaring met de VFF, of een andere kijk op deze regeling? Deel je inzichten met ons, dan zorgen we samen dat subsidieregelingen nóg beter gaan aansluiten bij de behoeften van biotech!
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Dina Diekhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgDina Diek2026-02-10 11:28:022026-06-03 11:39:27Subsidie langs de meetlat: Vroege Fase Financiering← #nieuws
Subsidies spelen een cruciale rol in het mogelijk maken van biotech innovatie, waar ontwikkeltrajecten vaak lang, risicovol en kapitaalintensief zijn. Toch is het voor biotech bedrijven moeilijk een subsidieregeling te vinden die aansluit op hun unieke behoeften. Wat hollandbio betreft voldoet een succesvolle subsidieregeling aan zes voorwaarden. Benieuwd in hoeverre De Vroege Fase Financiering (VFF) aansluit bij de behoeften van biotech? In een nieuwe infographic scoren we deze subsidie op een schaal van 1 tot 10.
De Vroege Fase Financiering (VFF) is een lening die innovatieve starters en het mkb helpt om een kansrijk idee van plan- naar startfase te brengen. Het merendeel van de aanvragers is actief in High Tech Systemen & Materialen en zo’n 20% in biotech, waarvan 15.5% in Life Science & Health en 4,7% in Agri & Food. Voor bedrijven verloopt de verstrekking via de regio’s Noord‑Holland, Zuid‑Holland, Utrecht, Zeeland en Noord‑Brabant, of via RVO voor de rest van Nederland. Aanvragen van academische en toegepast‑onderzoeksorganisaties lopen via NWO. De precieze eisen en voorwaarden kunnen per regio of aanbieder verschillen. Een intentieverklaring van een private investeerder voor de periode na de VFF is altijd vereist. Afhankelijk van het type organisatie financiert de VFF 35% tot 100% van het projectbedrag, dat in totaal minimaal €50.000 en maximaal €450.000 bedraagt.
Wil een subsidie zoals de VFF aansluiten bij biotech, dan moet die wat hollandbio betreft aan de volgende zes voorwaarden voldoen:
De regeling maakt vervolgfinanciering interessant, zodat investeerders vertrouwen houden en bedrijven de lange weg van lab naar markt kunnen voltooien.
De voorwaarden rond intellectueel eigendom (IP) zijn innovatie- en marktgericht, zonder knellende afspraken, publicatie-eisen of pandrechten die investeerbaarheid ondermijnen.
De verhouding tussen administratieve lasten en het subsidiebedrag is in balans. Het subsidiebedrag is groot genoeg om impactvolle investeringen mogelijk te maken en niet te complex, zodat ondernemers niet afhaken.
De regeling zet de ondernemer centraal. Ondernemers hebben zeggenschap over het project, zodat de samenwerking bijdraagt aan hun R&D-ambities en inhoudelijk relevant is voor de markt.
De beoordelingsprocedures zijn snel en flexibel, zodat projecten op het juiste moment kunnen starten om daadwerkelijk impact te maken.
Het beschikbare budget is toereikend en bereikbaar voor start- en scaleups, zodat kwalitatief goede projecten van groeiende bedrijven niet onnodig worden afgewezen.
Hoe scoort de VFF?
Wanneer we de VFF langs onze meetlat leggen, ontstaat het volgende beeld:
Om in aanmerking te komen voor een VFF-lening, is een intentieverklaring voor vervolgfinanciering verplicht. Voor biotech bedrijven met een hoge kapitaalbehoefte wringt dit: investeerders steken hun geld liever direct in onderzoek en ontwikkeling dan in het aflossen van een lening voor eerder werk. Daarnaast gelden strikte financieringsvoorwaarden: afhankelijk van het type organisatie financiert de VFF 35% (groot mkb), 45% (klein mkb) of 100% (innovatieve starters) van het project, en die lening met een rente van 7,21% (voor 2025) moet vanaf drie jaar na de start al worden terugbetaald. Dat is voor biotechbedrijven extra uitdagend, omdat inkomsten in die fase doorgaans nog niet in zicht zijn. Ook blijken de VFF-voorwaarden per regio te verschillen: in Zuid-Holland betreft de subsidie bijvoorbeeld een converteerbare lening die loopt via UNIIQ. De nationale regeling biedt deze mogelijkheid niet en is daardoor minder aantrekkelijk voor vervolgfinanciering. Door deze combinatie van beperkingen scoort de regeling op dit onderwerp een 4 uit 10.
Op het gebied van IP-bescherming scoort de VFF sterk: 9 uit 10. Als het IP bij het bedrijf in bezit is of via een exclusieve licentie is verkregen, blijft het daar. Bij aanvragen via NWO geldt zelfs een extra verplichte verklaring dat de betrokken kennisinstelling bereid is: “zodanige rechten op de intellectueel eigendom te verlenen zodat dit later in het proces geen belemmering vormt”. Daarmee sluit de regeling goed aan op de investeerbaarheid van biotech innovaties.
De administratieve last voor de VFF is merkbaar. Het is even zoeken bij welk regionaal of nationaal loket je precies moet zijn en ook de aanvraag zelf kost best wat tijd. En daarnaast voegt het rondkrijgen van de intentieverklaringen van private financiers ook extra druk toe. Het bedrag dat je er bij toekenning voor terugkrijgt, kan echter wel substantieel en daarmee de moeite waard zijn, wat zorgt voor een score van 6 uit 10.
De VFF laat de zeggenschap over het project volledig bij het bedrijf zelf, zonder dat er een consortium hoeft worden opgetuigd. Wel moet een investeerder vooraf een intentieverklaring afgeven, wat de wendbaarheid van het bedrijf in de vroege fase beperkt – een moment waarop juist nog van alles kan veranderen. We geven daarom een 7 uit 10.
De standaard doorlooptijd van de VFF is met 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode netjes en voorspelbaar. Toch blijkt deze in de praktijk per regio te kunnen verschillen en soms langer uit te vallen. Dat is jammer, want een korte en voorspelbare doorlooptijd helpt bedrijven plannen en zorgt ervoor dat projecten relatief snel kunnen starten. Daarom scoort de VFF op dit onderdeel wat ons betreft een 8 uit 10.
Het relatief lage slagingspercentage van 32% laat zien dat de vraag aanzienlijk hoger is dan het beschikbare budget. Dat is zonde, want daarmee kan deze aantrekkelijke regeling niet iedereen bedienen, wat zorgt voor een score van 6 uit 10.
Al met al is de VFF een bruikbare optie voor biotech bedrijven om de vroege fase van productontwikkeling te financieren. Op IP-bescherming en doorlooptijd scoort de regeling goed. Tegelijkertijd zijn het lage slagingspercentage en de verplichtingen rond vervolgfinanciering belangrijke knelpunten waar wat ons betreft nog winst te behalen is.
Heb jij ervaring met de VFF, of een andere kijk op deze regeling? Deel je inzichten met ons, dan zorgen we samen dat subsidieregelingen nóg beter gaan aansluiten bij de behoeften van biotech!
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Dina Diekhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgDina Diek2026-02-10 11:23:492026-03-26 16:58:42Subsidie langs de meetlat: sluit de Vroege Fase Financiering aan bij biotech?← #nieuws
Publieke én private investeringen in onderzoek en ontwikkeling zijn broodnodig voor een weerbare en toekomstbestendige economie. Met het 3%-R&D Actieplan lanceert het ministerie van Economische Zaken negen maatregelen, die er gezamenlijk voor moeten zorgen dat in 2030 minstens 3% van ons bruto binnenlands product (bbp) naar onderzoek en ontwikkeling gaat. In deze 3%-serie laat hollandbio zien hoe en onder welke voorwaarden de negen maatregelen ook investeringen in biotech kunnen aanjagen. Vandaag is het plan om een Nationale EU-cofinancieringsvoorziening op te richten aan de beurt, een maatregel die, in de ogen van hollandbio te kleinschalig, is opgenomen in de plannen van de formerende partijen.
In de kamerbrief over het 3% actieplan staat beschreven dat Nederland een verkenning wil doen naar het oprichten van een Nationale EU-cofinancieringsvoorziening. De aansluiting met Europese geldstromen is volgens het ministerie niet altijd makkelijk te regelen omdat de nationale begrotingscyclus vaak niet aansluit op de tijdslijnen van Europese initiatieven. Om deze reden wil het ministerie inzetten op een meerjarige voorziening die de benodigde cofinanciering op nationaal niveau kan regelen en er zo voor zorgt dat Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven toegang hebben tot geld uit Europese initiatieven zoals Important Projects of Common European Interest (IPCEI), de Chips Act, Joint Undertakings of thematische partnerschappen op het gebied van onder andere biotechnologie. In het regeerakkoord van de formerende partijen valt al te lezen dat dit plan al verder tot uitwerking komt. Zo valt in de plannen te lezen dat er €100 miljoen vrijgespeeld wordt om deel te nemen aan de hierboven opgesomde activiteiten.
Hollandbio juicht een betere aansluiting op Europees geld toe. Biotech bedrijven van eigen bodem zijn in de regel op zoek naar grote bedragen, die op nationaal niveau slechts mondjesmaat beschikbaar zijn. De huidige mismatch leidt ertoe dat we onvoldoende in staat zijn in te springen op specifieke stimuleringsinitiatieven van de Europese Commissie. Nederland komt daardoor op achterstand ten opzichte van andere lidstaten, die wel in staat én bereid zijn om significante middelen vrij te spelen om sleutelindustrieën te ondersteunen. Een structurele nationale cofinancieringsvoorziening kan dit probleem verhelpen en de innovatiekracht van Nederland effectief een impuls geven.
Details over de plannen zijn nog niet bekend, maar wat hollandbio betreft houden we de opzet van de EU-cofinancieringsvoorziening zo snel en simpel mogelijk. Dat kan allereerst door de met de Nationale Technologie Strategie en het Industriebeleid ingezette keuze voor sectoren van strategisch belang, zoals biotech, vast te houden. Ook het inbedden van de voorziening bij een bestaande organisatie met de benodigde expertise, zoals Invest-NL of RVO, alsook het voorkomen van extra nationale voorwaarden, dragen bij aan de eenvoud en snelheid die de biotech sector nodig heeft. Tot slot is uiteraard de omvang van het vrij te spelen budget niet onbelangrijk. In het kersverse coalitieakkoord zien we dat de coalitiepartners €100 miljoen alloceren voor economie en innovatie. Dat klinkt misschien als veel geld, maar is slechts een druppel op een gloeiende plaat. Immers, dit budget is bedoeld voor én de uitvoering van de Nationale Technologiestrategie, én regionale innovatieclusters, én deelname aan Europese innovatieprogramma’s én publiek-private innovatieprogramma’s, en geldt bovendien voor alle sectoren samen, dus niet alleen biotech. Hollandbio betwijfelt daarom of het budget toereikend is om de ambitieuze doelstellingen van de co-financieringsfaciliteit te realiseren. Kortom: een zeer welkom initiatief, maar willen we biotech bedrijven van eigen bodem daadwerkelijk wind meegeven, dan mag er wat ons betreft een stevige schep bovenop.
https://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svg00Idalia Dlugoszhttps://www.hollandbio.nl/wp-content/uploads/2023/08/HollandBIO_logo.svgIdalia Dlugosz2026-02-03 18:21:332026-02-16 09:11:423%-R&D Actieplan, deel 6: Nationaal meefinancieren voor Europese kansen met een Nationale EU-cofinancieringsvoorziening
Onbedoeld hoge drempels voor doktersrecept medicinale cannabis
GezondheidRuim een half miljoen Nederlanders gebruikt cannabis om medische redenen, terwijl slechts 7.000 patiënten medicinale cannabis krijgen op doktersrecept. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Trimbos Instituut. Volgens Trimbos zouden veel mensen liever medicinale cannabis op recept krijgen, maar lopen zij in de praktijk tegen tal van drempels aan.
Het is voor het eerst dat een onderzoek inzicht geeft in deze groep en in waarom zij geen cannabis via de reguliere zorg verkrijgen. Tegen EenVandaag vertellen gebruikers over hoe effectief de cannabis bij hen werkt tegen uiteenlopende aandoeningen. Ook zijn er verhalen van gebruikers die daardoor klachtenvrij zijn gestopt met andere medicatie waar ze nare bijwerkingen van ervaren.
Ongecontroleerd aanbod niet zonder risico’s
Het is begrijpelijk dat een grote groep Nederlanders bereid is te onderzoeken wat verlichting van hun klachten biedt. Als je ziek bent, wil je namelijk maar één ding, en dat is beter worden. Toch is het gebruik van niet-voorgeschreven cannabis niet zonder risico’s. Vaak hebben gebruikers geen duidelijk inzicht in de hoeveelheid werkzame stoffen, of zijn er zelfs zorgen over (gebrek aan toezicht op) mogelijke vervuiling. Ook wijst Trimbos op de gebruiksvorm: roken samen met tabak is schadelijker dan andere manieren van gebruik, zoals verdampen of innemen van cannabisolie. Daarnaast gebruiken sommigen de cannabis naast andere medicatie, zonder dat bijvoorbeeld apothekers kunnen meedenken over de onderlinge samenhang.
Wel legaal, niet bereikbaar
Sommige gebruikers willen graag gebruikmaken van de bestaande medische route, waar zowel de Opiumwet als de Geneesmiddelenwet bescherming bieden tegen die zorgen. Zo weten patiënten precies wat erin zit, is de kwaliteit gegarandeerd en zijn ze niet aangewezen op ongecontroleerd aanbod. Uit het onderzoek blijkt dat veel mensen liever medicinale cannabis op doktersrecept zouden krijgen. “Voor hen is het frustrerend om te weten dat medicinale cannabis legaal is in Nederland, maar dat ze er geen toegang toe hebben,” aldus Lisa Strada, projectleider van het onderzoek.
Hoge drempels leiden tot ongecontroleerd aanbod
Artsen zijn de aangewezen beroepsgroep om patiënten te behandelen, maar het voorschrijven wordt in de praktijk belemmerd door stigma’s en gebrek aan kennis. Voor patiënten spelen ook financiële overwegingen een rol; zorgverzekeraars hebben de vergoeding voor medicinale cannabis in 2018 gestopt. Daarnaast geven patiënten om uiteenlopende redenen aan dat zij meer keuze willen. Omdat het medische alternatief niet altijd uitkomst biedt, zijn zij aangewezen op ongecontroleerde aanbieders uit het coffeeshopcircuit of niet altijd ongevaarlijke zelfkweek. Toch is dat al jarenlang staande praktijk, ondanks herhaaldelijke oproepen vanuit de Tweede Kamer en uitspraken van rechters.
Hoognodige wetswijziging vindt plaats na de zomer
Trimbos dringt aan op verandering: ‘Beleidsaanpassingen zijn nodig om de toegankelijkheid te verbeteren en de zorg beter te laten aansluiten bij de behoeften van patiënten. Dit kan het gebruik van ongereguleerde cannabis terugdringen en tegelijkertijd de gezondheid van patiënten beter waarborgen.’ Ook het Instituut Medicinale Cannabis Nederland (IMC Nederland) ziet de toegang tot voorgeschreven medicinale cannabis graag verbeteren. IMC-voorzitter Renger Witkamp: “Wij roepen de nieuwe minister dan ook op het Trimbos-rapport uitvoerig te bestuderen en er lessen uit te trekken.” Ook hollandbio zal daarover in gesprek blijven met het ministerie van VWS en de Tweede Kamer, die zich volgens de laatste planning na de zomer zal buigen over de hoognodige wetswijziging.
Hollandbio welcomes Akin Solutions as new member
HollandbioHollandbio connects, represents, and supports the Dutch life science sector. We are very proud to represent over 270 companies: from start-ups, small and medium-sized companies, to large companies, active in health, food, or the biobased economy. Today, we are happy to introduce Akin Solutions – a Dutch biotech company that turns rubber waste into high-quality recycled material. Their enzyme-powered biorefinery makes it possible to recycle rubber to a virgin-like quality while also producing valuable coproducts. This enables reuse in demanding applications such as tires and industrial products instead of being downcycled.
Rubber is essential to modern life, from mobility to medical devices, but its supply chain is under pressure. Natural rubber drives deforestation and supply risks, while synthetic rubber relies on fossil resources and has a high carbon footprint. At the same time, most end-of-life rubber cannot be recycled into materials suitable for high-performance use.
Akin Solutions addresses this challenge by refining devulcanized rubber through targeted processing and separation to restore performance and consistency without degradation. Their biorefinery platform is designed to integrate into existing recycling facilities, making deployment easier. Their molecular imaging services help verify how the resulting material performs in real-world products.
Akin Solutions seeks partnerships with recyclers and manufacturers to advance their technology and demonstrate industrial-scale performance. By joining HollandBio, they aim to stay informed on political developments, address obstacles, and further integrate into the Dutch biotech ecosystem for materials development.
De overheid aan het afslanken
GezondheidDe overheid gaat vernieuwen om efficiënter en effectiever te worden. Het ambtenarenapparaat is namelijk flink gegroeid, constateert kabinet-Jetten, maar de productiviteitsgroei bleef achter. Een efficiëntieslag binnen de Rijksoverheid moet het elfvoudige opleveren van wat het aanstaande kabinet nog uit de geneesmiddelenbegroting denkt te kunnen persen. Hoog tijd voor nieuwe manieren van samenwerken, want ook voor ons zorgsysteem geldt: extra beleid en nog meer pleisters maakt Nederland niet beter, innoveren is onze enige uitweg.
Ook FD-columnist Sebastien Valkenberg legt de vinger op de zere plek (achter inlog): “De innovatie hapert, terwijl daar onze economische groei vandaan moet komen. Doorbraken, het is de afgelopen maanden al veelvuldig gezegd, komen nu veelal uit de Verenigde Staten en China. Deze innovatiecrisis is er eentje met vele oorzaken. Maar steevast bovenaan staat de fnuikende werking van goedbedoeld beleid. Waar we ooit koploper waren bij de ontwikkeling van geneesmiddelen, zijn we nu in veel opzichten afgehaakt. Vorig jaar sloeg wetenschapper-ondernemer Sander van Deventer alarm over de regelgeving. Het is tijdrovend om goedkeuring te krijgen voor gen- of celtherapie-onderzoek. ‘Inmiddels is Nederland een van de traagste landen in Europa bij de introductie van geneesmiddelen.’ Armoe troef, en beterschap is nog altijd ver te zoeken.
De aanstaande coalitie wil de toch al lege citroen nog verder uitknijpen en extra bezuinigen op medicijnen. Maar er valt alleen nog geld te ‘besparen’ door patiënten de botweg toegang te onthouden tot de nieuwste behandelingen. Zij zijn de dupe en betalen de rekening, met hun gezondheid – of met hun eigen geld.
Iedereen voelt het aan: dit systeem houdt het niet lang meer vol. Toch blijven we het oplappen, in de hoop dat het nog even meegaat. Terwijl steeds duidelijker wordt: het systeem is gebouwd in een andere tijd. In hoog tempo worden nieuwe oplossingen ontwikkeld door wetenschappers en innovatieve bedrijven. Maar het zorgsysteem waarin die innovaties moeten landen, is daar nog niet klaar voor. Het is opgebouwd rondom controle, vaste protocollen en standaardzorg. Het is ontworpen in een tijd van handgeschreven receptbriefjes, je patiëntgegevens op stickervellen en de fax als redmiddel bij spoedgevallen.
Nieuwe behandelingen krijgen geen kans in het huidige systeem. Vernieuwing wordt nog te vaak gezien als luxe, terwijl het onze enige uitweg uit het zorginfarct is. Nederland heeft grote ambities uitgesproken. In 2040 willen we tot de wereldtop behoren op het gebied van biotech. Maar dat lukt niet alleen met meer onderzoek of plannen op papier. Als het systeem geen ruimte biedt voor vernieuwing, blijft het bij mooie woorden, terwijl we daden nodig hebben. Daden in de vorm van andere spelregels en nieuwe manieren van samenwerken. In andere sectoren zien we successen. Daar trekken overheid, wetenschap en bedrijven samen op in de ‘gouden driehoek’. Die samenwerking heeft zich daar ruimschoots bewezen. Waarom zouden we dat niet ook in de zorg doen?
Biotech laat zien wat mogelijk is: zorg op maat, sneller herstel en minder druk op zorgverleners. Stop met pleisters plakken op een systeem dat niet werkt. Bouw aan een omgeving waarin innovatie echt de ruimte krijgt. Alleen dan maken we samen onze ambitie waar: betere zorg, nu en in de toekomst.
Is ons zorgsysteem wel bewezen effectief?
GezondheidMoet onze overheid bewijzen dat aanpassingen aan het gezondheidsbeleid het gewenste effect beogen? In de Volkskrant legt Erasmus-universitair docent Bastian Ravesteijn deze fundamentele vraag op tafel naar aanleiding van de voorgenomen verhoging van het eigen risico. Want waar de nieuwe coalitie interventies in de zorg weliswaar nóg strenger wil toetsen op bewezen effectiviteit voordat ze mogen inzetten, lijkt het wijzigen van het eigen beleid –ondanks bestaande wetgeving op dit vlak– vreemd genoeg vrijgesteld van enige eis zich voor invoering te bewijzen.
Ook rond geneesmiddelen ziet hollandbio de overheid regelmatig klakkeloos beleidswijzigingen doorvoeren, zonder dat de doeltreffendheid van deze maatregelen vooraf in kaart is gebracht. Zo introduceerde het Zorginstituut het afgelopen jaar bijvoorbeeld twee nieuwe pakketcriteria over arbeidsinzet en duurzaamheid. En hoewel zelfs de commissie die hierover adviseerde nog twijfel uitsprak over de keuze van de criteria en vraagtekens had bij de (sc)haalbaarheid van haar eigen plan, stond dit invoer niet in de weg – kritiek vanuit wetenschap en de sector ten spijt.
Recenter nog zagen we de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet één, niet twee, maar zelfs drie keer een ‘nee’ verkopen aan een bewezen effectief geneesmiddel, omdat hij de prijs ‘niet maatschappelijk verantwoord’ acht. De minister verwees in zijn argumentatie naar het adviestraject Maatschappelijk Aanvaardbare Uitgaven Geneesmiddelen van het Zorginstituut, de Nederlandse Zorgautoriteit en de Autoriteit Consument en Markt. Een advies waar wat hollandbio betreft nog van alles op aan te merken viel, en waar de Kamer bovendien nog niet over heeft kunnen debatteren.
Ravesteijn legt met zijn kritische vraag de vinger op de zere plek. De zorg piept en kraakt in haar voegen, en als remedie grijpen we maar al te vaak naar pleisters die snel wat verlichting moeten brengen. Het gevolg van al die lapmiddelen is dat we de zorg steeds verder op slot zetten. Terwijl we eigenlijk wel aanvoelen dat dit stelsel gebouwd is in en voor een heel andere tijd en meer radicale vernieuwing onafwendbaar is.
Wanneer we écht beterschap willen, zullen we elkaar de komende tijd vaker lastige vragen moeten stellen. Niet alleen of we dingen juist doen, maar ook of we de juiste dingen doen. Wat eigenlijk ‘de bedoeling’ van ons beleid is, en hoe we bepalen of we daarin succesvol zijn. In de ideale wereld halen we namelijk óók bewijs op om beleid mee te verbeteren. En wanneer dat aan de voorkant te veel werk kost, is het toch ten minste zaak om voor een goede feedbackloop te zorgen, waarmee we in de praktijk ofwel bewijzen dat we goede beleidskeuzes hebben gemaakt, ofwel zo snel mogelijk kunnen bijsturen.
Uiteindelijk wil iedereen graag zijn of haar steentje bijdragen aan de volksgezondheid. En juist met behulp van het stellen van kritische vragen en reflectie, ontstaat er ruimte om met elkaar te werken aan beterschap. Zo organiseren we een klimaat waarin we al lerend de zorg verbeteren. Én burgers en patiënten nu en in de toekomst van gezondheid op maat blijven voorzien, in een bewezen effectieve gezondheidszorgstelsel.
Biotech onmisbaar voor een leefbare toekomst
Voedsel en materialen2025 was – helaas – opnieuw een jaar vol klimaatrecords. Volgens Copernicus was 2025 het op twee na warmste jaar ooit, slechts nét iets koeler dan recordjaar 2024. De afgelopen drie jaar lagen de wereldwijde temperaturen zelfs boven de 1,5 °C‑grens uit het Klimaatakkoord van Parijs. Ook Nederland warmt snel op, sneller dan het wereldgemiddelde. Uit het KNMI‑rapport De Staat van ons Klimaat 2025 blijkt dat Nederland nu al duidelijk de gevolgen voelt van klimaatverandering: warmere jaren, langere periodes van droogte en vaker grillig en extreem weer. Ons land wordt sneller droger, warmer en kwetsbaarder en dat raakt direct onze voedselproductie, natuur en energievoorziening. Slimme oplossingen zijn nodig, het is tijd voor actie, hier en nu!
Biotech voor een biobased circulaire economie
Biotech maakt het mogelijk om materialen, chemicaliën en brandstoffen te produceren zonder fossiele grondstoffen. Daarmee reduceren we schadelijk uitstoot, zoals CO2, verkleinen we bovendien onze afhankelijkheid van landen als China en Rusland, en versterken we economische weerbaarheid. Ook speelt biotech een sleutelrol in het verhogen van de circulariteit door biomassa en reststromen om te zetten in nieuwe grondstoffen. Helaas wordt biotech in het klimaatdebat nog te vaak weggezet als een niche, of iets voor later. Dat is onterecht: de technologie en producten zijn er al, werken al en passen we al toe. Vaak is het een kwestie van opschalen en doorpakken. Wat echter ontbreekt, is politieke durf en daden om deze transitie echt te versnellen.
Biotech voor een klimaatvriendelijk voedselsysteem
Extreem zonnige en droge jaren worden in Nederland steeds normaler, met alle gevolgen van dien voor onze landbouw – een van de belangrijkste economische sectoren van ons land. Biotech biedt verlichting: de sector helpt gewassen te ontwikkelen die beter tegen hitte en droogte kunnen, en maakt het mogelijk om eiwitten en andere voedingsmiddelen te produceren met véél minder landgebruik, water, uitstoot én dierenleed. Dit zijn geen verre toekomstdromen, maar oplossingen die nu al bestaan, vaak zelfs ontwikkeld op eigen bodem.
Waarom wachten we nog?
Zowel Copernicus als het KNMI waarschuwen dat de temperatuur de komende jaren waarschijnlijk structureel meer dan 1,5 °C zal stijgen. Nederland voelt de gevolgen nu al: hittegolven, droogte, natuurbranden en lage windsnelheden die onze energieopwekking remmen. Gelukkig is Nederland een land van aanpakkers. We overwonnen problemen al eerder door met lef te kiezen voor vooruitgang: van de ontwikkeling van de Deltawerken tot onze wereldwijde koppositie in de landbouw. En ook nu kunnen we dat weer. Immers, ook in de biotech lopen we weer voorop. Met lef, slimme investeringen en gezamenlijke spelregels biedt biotech ook de volgende generaties toekomstperspectief.
De tijd om te handelen is nu
Als we onze samenleving veilig, betaalbaar en leefbaar willen houden, moeten we ruimte maken voor biotech en nieuwe manieren van produceren en consumeren. Dat is geen bedreiging, maar de logische en noodzakelijke volgende stap vooruit. Nederland heeft een traditie van innovatie en lef. De huidige klimaatcrisis vraagt opnieuw om die houding. En al is ook biotech geen silver bullet, vormt het wel degelijk een onmisbaar onderdeel van elke realistische route naar een wereld mét toekomst.
Doorbraken in de zorg verdwijnen naar het buitenland
InnovatieklimaatAls we willen dat we met biotech ons toekomstige verdienvermogen veiligstellen, dan is er werk aan de winkel. Dat concludeert De Telegraaf in een recent artikel, dat beschrijft hoe kapitaal moeilijk te verkrijgen is en hoe strenge regels in Nederland bedrijven vaker laten overwegen om de toekomst in het buitenland te zoeken. Enorm zonde als het je het hollandbio vraagt. We ontwikkelen geweldige slimme oplossingen in Nederland, maar als bedrijven niet hier kunnen schalen door gebrek aan financiering, knellende regelgeving of slechte toegang tot de markt, dan verdwijnt de winst naar het buitenland. ‘Het is wrang dat wat hier ontwikkeld is, niet voor de Nederlandse patiënt beschikbaar is,’ beschrijft Erik Holl, algemeen directeur van Johnson & Johnson Nederland, treffend in het stuk.
De Telegraaf haalt als voorbeeld de situatie van biotechbedrijf Glycostem aan, dat in Oss werkt aan een behandeling tegen verschillende soorten kanker. Na succesvolle eerste klinische studies is er nu substantieel kapitaal nodig om fase 2 en 3 te bekostigen. In Nederland of Europa is het lastig om bij elkaar te krijgen. Bij gebrek aan beschikbare financiering overweegt het bedrijf daarom uit te wijken naar onder meer de Verenigde Staten of China. Die beweging is ook terug te zien in cijfers. Waar de VS in 1990 nog 26% van alle R&D‑investeringen voor nieuwe geneesmiddelen voor zijn rekening nam, is dat inmiddels 55%. Europa ging in dezelfde periode van 49% naar slechts 33%, aldus de sectoranalyse van de ING.
Wat hollandbio betreft, is de boodschap duidelijk: willen we een leidende rol blijven spelen in biotech, dan moeten we nú werk maken van betere toegang tot kapitaal, slimme regelgeving en aantrekkelijke markttoegang voor innovatieve bedrijven. Momenteel zijn er via het rapport van Peter Wennink, de kabinetsbrede visie biotechnologie en Europese Biotech Act veel plannen gemaakt, maar aan alleen plannen hebben bedrijven weinig. Het is tijd dat we in Nederland en Europa overgaan tot actie. Alleen dan kunnen we de geweldige dingen die we in Nederland uitvinden ook omzetten in economische en maatschappelijke winst in ons eigen land.
Hollandbio verwelkomt Violet als nieuwe stagiaire
HollandbioSinds deze week versterkt Violet van der Eijk het team van hollandbio als stagiaire. Ze zal voor vijf maanden stagelopen als onderdeel van haar master Biomedical Sciences aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Binnen deze master volgt ze de specialisaties Neurobiologie en Science in Society. Violet heeft al van jongs af aan interesse in de etiologie, pathologie en behandeling van aandoeningen, wat haar motiveerde om de bachelor Biomedische Wetenschappen te volgen. Tijdens haar master kreeg ze de mogelijkheid om haar kennis in wetenschap en onderzoek te combineren met beleidsvorming en organisatieprocessen. Bij hollandbio krijgt Violet de kans om deze kennis verder uit te breiden, in de praktijk toe te passen en actief bij te dragen aan de sector. Haar stageonderzoek zoomt in op een vraagstuk dat bepalend is voor de toekomst van gezondheid op maat: hoe regelgeving en vergoeding de ontwikkeling van gepersonaliseerde medicijnen kunnen maken of breken.
Violet onderzoekt de komende tijd hoe nationale en internationale regelgeving en vergoedingen de opkomst van gepersonaliseerde medicijnen beïnvloeden. Hoe doet Nederland dit ten opzichte van andere landen? En hoe ervaren stakeholders, zoals academische ontwikkelaars, mkb’ers en grote farmaceutische bedrijven, deze vereisten in de praktijk? Violet brengt in kaart hoe het Nederlandse framework is ingericht en in hoeverre het huidige systeem de ontwikkeling en klinische toepassing van gepersonaliseerde medicijnen faciliteert. Met inzicht in de kansen en knelpunten kan hollandbio zich nog sterker inzetten voor verbeteringen in de regelgeving en vergoeding van deze medicijnen.
Violet: “Ik kijk ernaar uit om mij verder te verdiepen in zowel de nationale als internationale biotechsector en tijdens mijn stage mijn interesse in gepersonaliseerde medicijnen en regelgeving toe te passen. Daarnaast verheug ik me erop om het hollandbio-team te leren kennen en van hun kennis en ervaring te leren.” Hollandbio heet Violet van harte welkom en wenst haar succes!
Wil je kennismaken of meedenken? Violet is te bereiken via violet.vandereijk@hollandbio.nl of LinkedIn.
Subsidie langs de meetlat: Vroege Fase Financiering
Publicaties, FinancieringSubsidies spelen een cruciale rol in het mogelijk maken van biotech innovatie, waar ontwikkeltrajecten vaak lang, risicovol en kapitaalintensief zijn. Toch is het voor biotech bedrijven moeilijk een subsidieregeling te vinden die aansluit op hun unieke behoeften. Wat hollandbio betreft voldoet een succesvolle subsidieregeling aan zes voorwaarden. Benieuwd in hoeverre De Vroege Fase Financiering (VFF) aansluit bij de behoeften van biotech? In een nieuwe infographic scoren we deze subsidie op een schaal van 1 tot 10.
De Vroege Fase Financiering (VFF) is een lening die innovatieve starters en het mkb helpt om een kansrijk idee van plan- naar startfase te brengen. Het merendeel van de aanvragers is actief in High Tech Systemen & Materialen en zo’n 20% in biotech, waarvan 15.5% in Life Science & Health en 4,7% in Agri & Food. Voor bedrijven verloopt de verstrekking via de regio’s Noord‑Holland, Zuid‑Holland, Utrecht, Zeeland en Noord‑Brabant, of via RVO voor de rest van Nederland. Aanvragen van academische en toegepast‑onderzoeksorganisaties lopen via NWO. De precieze eisen en voorwaarden kunnen per regio of aanbieder verschillen. Een intentieverklaring van een private investeerder voor de periode na de VFF is altijd vereist. Afhankelijk van het type organisatie financiert de VFF 35% tot 100% van het projectbedrag, dat in totaal minimaal €50.000 en maximaal €450.000 bedraagt.
Wil een subsidie zoals de VFF aansluiten bij biotech, dan moet die wat hollandbio betreft aan de volgende zes voorwaarden voldoen:
Hoe scoort de VFF?
Wanneer we de VFF langs onze meetlat leggen, ontstaat het volgende beeld:
Om in aanmerking te komen voor een VFF-lening, is een intentieverklaring voor vervolgfinanciering verplicht. Voor biotech bedrijven met een hoge kapitaalbehoefte wringt dit: investeerders steken hun geld liever direct in onderzoek en ontwikkeling dan in het aflossen van een lening voor eerder werk. Daarnaast gelden strikte financieringsvoorwaarden: afhankelijk van het type organisatie financiert de VFF 35% (groot mkb), 45% (klein mkb) of 100% (innovatieve starters) van het project, en die lening met een rente van 7,21% (voor 2025) moet vanaf drie jaar na de start al worden terugbetaald. Dat is voor biotechbedrijven extra uitdagend, omdat inkomsten in die fase doorgaans nog niet in zicht zijn. Ook blijken de VFF-voorwaarden per regio te verschillen: in Zuid-Holland betreft de subsidie bijvoorbeeld een converteerbare lening die loopt via UNIIQ. De nationale regeling biedt deze mogelijkheid niet en is daardoor minder aantrekkelijk voor vervolgfinanciering. Door deze combinatie van beperkingen scoort de regeling op dit onderwerp een 4 uit 10.
Op het gebied van IP-bescherming scoort de VFF sterk: 9 uit 10. Als het IP bij het bedrijf in bezit is of via een exclusieve licentie is verkregen, blijft het daar. Bij aanvragen via NWO geldt zelfs een extra verplichte verklaring dat de betrokken kennisinstelling bereid is: “zodanige rechten op de intellectueel eigendom te verlenen zodat dit later in het proces geen belemmering vormt”. Daarmee sluit de regeling goed aan op de investeerbaarheid van biotech innovaties.
De administratieve last voor de VFF is merkbaar. Het is even zoeken bij welk regionaal of nationaal loket je precies moet zijn en ook de aanvraag zelf kost best wat tijd. En daarnaast voegt het rondkrijgen van de intentieverklaringen van private financiers ook extra druk toe. Het bedrag dat je er bij toekenning voor terugkrijgt, kan echter wel substantieel en daarmee de moeite waard zijn, wat zorgt voor een score van 6 uit 10.
De VFF laat de zeggenschap over het project volledig bij het bedrijf zelf, zonder dat er een consortium hoeft worden opgetuigd. Wel moet een investeerder vooraf een intentieverklaring afgeven, wat de wendbaarheid van het bedrijf in de vroege fase beperkt – een moment waarop juist nog van alles kan veranderen. We geven daarom een 7 uit 10.
De standaard doorlooptijd van de VFF is met 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode netjes en voorspelbaar. Toch blijkt deze in de praktijk per regio te kunnen verschillen en soms langer uit te vallen. Dat is jammer, want een korte en voorspelbare doorlooptijd helpt bedrijven plannen en zorgt ervoor dat projecten relatief snel kunnen starten. Daarom scoort de VFF op dit onderdeel wat ons betreft een 8 uit 10.
Het relatief lage slagingspercentage van 32% laat zien dat de vraag aanzienlijk hoger is dan het beschikbare budget. Dat is zonde, want daarmee kan deze aantrekkelijke regeling niet iedereen bedienen, wat zorgt voor een score van 6 uit 10.
Al met al is de VFF een bruikbare optie voor biotech bedrijven om de vroege fase van productontwikkeling te financieren. Op IP-bescherming en doorlooptijd scoort de regeling goed. Tegelijkertijd zijn het lage slagingspercentage en de verplichtingen rond vervolgfinanciering belangrijke knelpunten waar wat ons betreft nog winst te behalen is.
Heb jij ervaring met de VFF, of een andere kijk op deze regeling? Deel je inzichten met ons, dan zorgen we samen dat subsidieregelingen nóg beter gaan aansluiten bij de behoeften van biotech!
Subsidie langs de meetlat: sluit de Vroege Fase Financiering aan bij biotech?
IJzersterk innovatieklimaat, Innovatieklimaat, UitgelichtSubsidies spelen een cruciale rol in het mogelijk maken van biotech innovatie, waar ontwikkeltrajecten vaak lang, risicovol en kapitaalintensief zijn. Toch is het voor biotech bedrijven moeilijk een subsidieregeling te vinden die aansluit op hun unieke behoeften. Wat hollandbio betreft voldoet een succesvolle subsidieregeling aan zes voorwaarden. Benieuwd in hoeverre De Vroege Fase Financiering (VFF) aansluit bij de behoeften van biotech? In een nieuwe infographic scoren we deze subsidie op een schaal van 1 tot 10.
De Vroege Fase Financiering (VFF) is een lening die innovatieve starters en het mkb helpt om een kansrijk idee van plan- naar startfase te brengen. Het merendeel van de aanvragers is actief in High Tech Systemen & Materialen en zo’n 20% in biotech, waarvan 15.5% in Life Science & Health en 4,7% in Agri & Food. Voor bedrijven verloopt de verstrekking via de regio’s Noord‑Holland, Zuid‑Holland, Utrecht, Zeeland en Noord‑Brabant, of via RVO voor de rest van Nederland. Aanvragen van academische en toegepast‑onderzoeksorganisaties lopen via NWO. De precieze eisen en voorwaarden kunnen per regio of aanbieder verschillen. Een intentieverklaring van een private investeerder voor de periode na de VFF is altijd vereist. Afhankelijk van het type organisatie financiert de VFF 35% tot 100% van het projectbedrag, dat in totaal minimaal €50.000 en maximaal €450.000 bedraagt.
Wil een subsidie zoals de VFF aansluiten bij biotech, dan moet die wat hollandbio betreft aan de volgende zes voorwaarden voldoen:
Hoe scoort de VFF?
Wanneer we de VFF langs onze meetlat leggen, ontstaat het volgende beeld:
Om in aanmerking te komen voor een VFF-lening, is een intentieverklaring voor vervolgfinanciering verplicht. Voor biotech bedrijven met een hoge kapitaalbehoefte wringt dit: investeerders steken hun geld liever direct in onderzoek en ontwikkeling dan in het aflossen van een lening voor eerder werk. Daarnaast gelden strikte financieringsvoorwaarden: afhankelijk van het type organisatie financiert de VFF 35% (groot mkb), 45% (klein mkb) of 100% (innovatieve starters) van het project, en die lening met een rente van 7,21% (voor 2025) moet vanaf drie jaar na de start al worden terugbetaald. Dat is voor biotechbedrijven extra uitdagend, omdat inkomsten in die fase doorgaans nog niet in zicht zijn. Ook blijken de VFF-voorwaarden per regio te verschillen: in Zuid-Holland betreft de subsidie bijvoorbeeld een converteerbare lening die loopt via UNIIQ. De nationale regeling biedt deze mogelijkheid niet en is daardoor minder aantrekkelijk voor vervolgfinanciering. Door deze combinatie van beperkingen scoort de regeling op dit onderwerp een 4 uit 10.
Op het gebied van IP-bescherming scoort de VFF sterk: 9 uit 10. Als het IP bij het bedrijf in bezit is of via een exclusieve licentie is verkregen, blijft het daar. Bij aanvragen via NWO geldt zelfs een extra verplichte verklaring dat de betrokken kennisinstelling bereid is: “zodanige rechten op de intellectueel eigendom te verlenen zodat dit later in het proces geen belemmering vormt”. Daarmee sluit de regeling goed aan op de investeerbaarheid van biotech innovaties.
De administratieve last voor de VFF is merkbaar. Het is even zoeken bij welk regionaal of nationaal loket je precies moet zijn en ook de aanvraag zelf kost best wat tijd. En daarnaast voegt het rondkrijgen van de intentieverklaringen van private financiers ook extra druk toe. Het bedrag dat je er bij toekenning voor terugkrijgt, kan echter wel substantieel en daarmee de moeite waard zijn, wat zorgt voor een score van 6 uit 10.
De VFF laat de zeggenschap over het project volledig bij het bedrijf zelf, zonder dat er een consortium hoeft worden opgetuigd. Wel moet een investeerder vooraf een intentieverklaring afgeven, wat de wendbaarheid van het bedrijf in de vroege fase beperkt – een moment waarop juist nog van alles kan veranderen. We geven daarom een 7 uit 10.
De standaard doorlooptijd van de VFF is met 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode netjes en voorspelbaar. Toch blijkt deze in de praktijk per regio te kunnen verschillen en soms langer uit te vallen. Dat is jammer, want een korte en voorspelbare doorlooptijd helpt bedrijven plannen en zorgt ervoor dat projecten relatief snel kunnen starten. Daarom scoort de VFF op dit onderdeel wat ons betreft een 8 uit 10.
Het relatief lage slagingspercentage van 32% laat zien dat de vraag aanzienlijk hoger is dan het beschikbare budget. Dat is zonde, want daarmee kan deze aantrekkelijke regeling niet iedereen bedienen, wat zorgt voor een score van 6 uit 10.
Al met al is de VFF een bruikbare optie voor biotech bedrijven om de vroege fase van productontwikkeling te financieren. Op IP-bescherming en doorlooptijd scoort de regeling goed. Tegelijkertijd zijn het lage slagingspercentage en de verplichtingen rond vervolgfinanciering belangrijke knelpunten waar wat ons betreft nog winst te behalen is.
Heb jij ervaring met de VFF, of een andere kijk op deze regeling? Deel je inzichten met ons, dan zorgen we samen dat subsidieregelingen nóg beter gaan aansluiten bij de behoeften van biotech!
3%-R&D Actieplan, deel 6: Nationaal meefinancieren voor Europese kansen met een Nationale EU-cofinancieringsvoorziening
InnovatieklimaatPublieke én private investeringen in onderzoek en ontwikkeling zijn broodnodig voor een weerbare en toekomstbestendige economie. Met het 3%-R&D Actieplan lanceert het ministerie van Economische Zaken negen maatregelen, die er gezamenlijk voor moeten zorgen dat in 2030 minstens 3% van ons bruto binnenlands product (bbp) naar onderzoek en ontwikkeling gaat. In deze 3%-serie laat hollandbio zien hoe en onder welke voorwaarden de negen maatregelen ook investeringen in biotech kunnen aanjagen. Vandaag is het plan om een Nationale EU-cofinancieringsvoorziening op te richten aan de beurt, een maatregel die, in de ogen van hollandbio te kleinschalig, is opgenomen in de plannen van de formerende partijen.
In de kamerbrief over het 3% actieplan staat beschreven dat Nederland een verkenning wil doen naar het oprichten van een Nationale EU-cofinancieringsvoorziening. De aansluiting met Europese geldstromen is volgens het ministerie niet altijd makkelijk te regelen omdat de nationale begrotingscyclus vaak niet aansluit op de tijdslijnen van Europese initiatieven. Om deze reden wil het ministerie inzetten op een meerjarige voorziening die de benodigde cofinanciering op nationaal niveau kan regelen en er zo voor zorgt dat Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven toegang hebben tot geld uit Europese initiatieven zoals Important Projects of Common European Interest (IPCEI), de Chips Act, Joint Undertakings of thematische partnerschappen op het gebied van onder andere biotechnologie. In het regeerakkoord van de formerende partijen valt al te lezen dat dit plan al verder tot uitwerking komt. Zo valt in de plannen te lezen dat er €100 miljoen vrijgespeeld wordt om deel te nemen aan de hierboven opgesomde activiteiten.
Hollandbio juicht een betere aansluiting op Europees geld toe. Biotech bedrijven van eigen bodem zijn in de regel op zoek naar grote bedragen, die op nationaal niveau slechts mondjesmaat beschikbaar zijn. De huidige mismatch leidt ertoe dat we onvoldoende in staat zijn in te springen op specifieke stimuleringsinitiatieven van de Europese Commissie. Nederland komt daardoor op achterstand ten opzichte van andere lidstaten, die wel in staat én bereid zijn om significante middelen vrij te spelen om sleutelindustrieën te ondersteunen. Een structurele nationale cofinancieringsvoorziening kan dit probleem verhelpen en de innovatiekracht van Nederland effectief een impuls geven.
Details over de plannen zijn nog niet bekend, maar wat hollandbio betreft houden we de opzet van de EU-cofinancieringsvoorziening zo snel en simpel mogelijk. Dat kan allereerst door de met de Nationale Technologie Strategie en het Industriebeleid ingezette keuze voor sectoren van strategisch belang, zoals biotech, vast te houden. Ook het inbedden van de voorziening bij een bestaande organisatie met de benodigde expertise, zoals Invest-NL of RVO, alsook het voorkomen van extra nationale voorwaarden, dragen bij aan de eenvoud en snelheid die de biotech sector nodig heeft. Tot slot is uiteraard de omvang van het vrij te spelen budget niet onbelangrijk. In het kersverse coalitieakkoord zien we dat de coalitiepartners €100 miljoen alloceren voor economie en innovatie. Dat klinkt misschien als veel geld, maar is slechts een druppel op een gloeiende plaat. Immers, dit budget is bedoeld voor én de uitvoering van de Nationale Technologiestrategie, én regionale innovatieclusters, én deelname aan Europese innovatieprogramma’s én publiek-private innovatieprogramma’s, en geldt bovendien voor alle sectoren samen, dus niet alleen biotech. Hollandbio betwijfelt daarom of het budget toereikend is om de ambitieuze doelstellingen van de co-financieringsfaciliteit te realiseren. Kortom: een zeer welkom initiatief, maar willen we biotech bedrijven van eigen bodem daadwerkelijk wind meegeven, dan mag er wat ons betreft een stevige schep bovenop.