← #nieuws

RVO en EZ lichten effecten van afschaffing farmaciebrief WBSO toe

Op 2 juni informeerden RVO en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) bedrijven over het afschaffen van de zogeheten farmaciebrief – de brief die het voor CRO’s mogelijk maakt om WBSO aan te vragen voor klinisch onderzoek. Hollandbio riep de minister eerder al in een brandbrief op niet te kiezen voor de botte bijl, maar eerst een plan uit te werken om negatieve effecten van de afschaffing te beperken. In plaats daarvan besloot het ministerie tijdens deze bijeenkomst alleen duidelijkheid te geven over de gevolgen voor betrokken partijen. Wat hollandbio betreft, verdient de Nederlandse biotech beter.

EZK  houdt vast aan het schrappen van de regeling en ziet dit als een noodzakelijke, correctie van een uitzondering die er mogelijk nooit had moeten zijn. RVO benadrukt tegelijk dat er kansen zijn om de WBSO beter te laten aansluiten bij de praktijk van farma- en biotechbedrijven.

Over de concrete uitwerking blijft echter nog veel onduidelijk. Bedrijven krijgen vooral de boodschap dat zij zelf aan de slag moeten om hun aanvragen passend te maken. De echte impact zal pas zichtbaar worden in de komende maanden, wanneer aanvragen voor 2027 worden voorbereid.

Opvallend is dat EZ en RVO impliciet erkennen dat de maatregel negatieve gevolgen kan hebben, waaronder meer onzekerheid, hogere administratieve lasten en mogelijk verplaatsing van klinische studies naar het buitenland. Deze effecten worden vooralsnog geaccepteerd binnen het bredere beleidskader.

Voor ondernemers betekent dit vooral: onzekerheid op korte termijn en mogelijk hogere drempels voor klinisch onderzoek in Nederland. Met name CRO’s en CDMO’s worden geraakt, terwijl juist zij een cruciale rol spelen in de ontwikkeling van nieuwe therapieën.

Hollandbio maakt zich nog steeds zorgen over de werkelijke impact van de afschaffing, ook omdat die daarna mogelijk niet of nauwelijks te herstellen valt. Wie serieus inzet op de groeikansen van de biotechsector, kan het zich niet permitteren om essentiële schakels te verzwakken. Innovatie ontstaat in een keten van ontdekking tot ontwikkeling en toepassing, en die keten is zo sterk als de zwakste schakel. Met het afschaffen van de farmaciebrief wordt een van die schakels onder druk gezet: kennis dreigt te verdwijnen en het Nederlandse klinisch onderzoeksklimaat dreigt te verschralen.

Dit had anders gekund. Door eerst samen met de sector naar oplossingen te zoeken, in plaats van een bestaand instrument abrupt te schrappen. Kortom: als Nederland koploper wil zijn in biotech, vraagt dat om consistent, voorspelbaar en stimulerend beleid dat álle schakels in de keten versterkt – niet verzwakt.

← #nieuws

Komt er ruimte voor risico en lef met het Nationaal Agentschap voor Disruptive Innovatie?

Op woensdag 27 mei organiseerde het Thematisch Netwerk Economische Zaken & Innovatie van de VVD een webinar om meer inzicht te geven in het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI). Dit agentschap wordt de Nederlandse variant van DARPA (VS), bekend om baanbrekende innovaties zoals GPS en mRNA-technologie, en SPRIND (Duitsland). Tijdens de webinar lichtte het ministerie van Economische Zaken toe dat NADI het gat moet dichten tussen vroege onderzoeksfinanciering (zoals NWO) en marktgerichte investeerders (zoals Invest-NL). Dat is hard nodig, want Nederland verliest ondanks een sterke kennispositie terrein op de wereldwijde ranglijst van technologieposities. Dat daar verandering in moet komen, is hollandbio het volledig mee eens. Maar hoe gaat NADI dat dan precies aanpakken? Ontdek wat er nu bekend is én waar, wat ons betreft nog belangrijke hobbels liggen.

Om NADI vorm te geven is Jelle Prins, medeoprichter van biotechbedrijf Cradle, gevraagd om de opzet te leiden. Centraal in de aanpak staan missiegedreven programma’s die gericht zijn op het oplossen van concrete maatschappelijke vraagstukken. Niet kennis of technologie als doel op zich, maar oplossingen staan centraal en die mogen nadrukkelijk ‘out of the box’ zijn.

Daarvoor wordt een aantal belangrijke randvoorwaarden gehanteerd. NADI wordt een onafhankelijke organisatie die programmatisch werkt, met sterke programmadirecteuren die zowel inhoudelijke expertise hebben als het vermogen om in te schatten of een voorstel kans van slagen heeft. Deze directeuren formuleren de problemen, maar schrijven de oplossingen niet voor. Juist bedrijven en andere partijen worden uitgedaagd om met oplossingsrichtingen te komen.

NADI positioneert zich nadrukkelijk niet als onderzoeksinstituut, maar als financier van onderzoek dat direct bijdraagt aan oplossingen. Per programma wordt substantieel geïnvesteerd (circa €10–100 miljoen), waarbinnen meerdere oplossingsrichtingen parallel worden ontwikkeld. Op termijn blijven alleen de meest kansrijke trajecten gefinancierd. Deze aanpak biedt ruimte voor radicale innovatie en accepteert dat niet alles succesvol zal zijn.  

Volgens de huidige planning gaat NADI tussen mei en september 2027 van start en zal het zich richten op sleuteltechnologieën uit de Nationale Technologiestrategie (NTS). Goed nieuws voor biotech, dat via biomoleculaire en celtechnologie sterk vertegenwoordigd is!

Wat hollandbio betreft, heeft NADI daarmee alles in huis om de Nederlandse technologiepositie te versterken, zoals we ook al eerder schreven. Tegelijkertijd zien we duidelijke risico’s. Zoals eerder benoemd dreigt de aanpak te voorzichtig te worden. Het beoogde budget, 500 miljoen euro, is een fractie van dat van DARPA en het revolverende karakter sluit niet goed aan bij het risicoprofiel van disruptieve innovatie. Maar, als Nederland het aandurft om écht te investeren en risico’s te accepteren, liggen er volop kansen om echt verschil te maken.

← #nieuws

Valorisatie vraagt om één doel – en dat ontbreekt nu

Nederland barst van de kennis, maar weet die nog te weinig om te zetten in bedrijven met echte impact. Het rapport van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) Beter van start laat zien waarom: niet gebrek aan potentie, maar een systeem waarin belangen versnipperd zijn en doorgroei geen vanzelfsprekend uitgangspunt is. Het doel zou helder moeten zijn: maximale maatschappelijke én economische impact via succesvolle doorgroei van kennisintensieve bedrijven. In de praktijk raakt dat doel ondergesneeuwd door kortetermijnprikkels en uiteenlopende belangen. Zonde wat hollandbio betreft en vooral een gemiste kans voor ondernemers die willen bouwen aan oplossingen voor gezondheid en de samenleving.

Knelpunten die elkaar versterken

AWTI laat zien dat het probleem geen losse horde is, maar een keten van fricties die elkaar versterken: een lange weg naar een werkend businessmodel, afzwakkende ambitie, teams met onvoldoende commerciële slagkracht, knellende afspraken bij de start (zoals intellectueel eigendom en vroege financiering), beperkte ruimte voor internationalisering en een duidelijke financieringskloof in de scale-up fase. Het resultaat is een systeem waarin frictie de norm is in plaats van de uitzondering.

Hulp die groei belemmert

Het meest confronterende uit de AWTI-analyse is dat juist de ondersteuning die nodig is om te starten, groei later vaak belemmert. Afspraken met kennisinstellingen, regionale voorwaarden of institutionele structuren zijn logisch vanuit hun eigen perspectief, maar maken opschalen en het aantrekken van internationaal kapitaal lastiger. Het systeem optimaliseert voor de start, maar verliest de finish uit het oog.

Tijd voor keuzes: maak doorgroei leidend

De boodschap van het AWTI is helder: maak doorgroei en maatschappelijke impact leidend in het hele valorisatiesysteem. Daar is hollandbio het volmondig mee eens. Wat daarvoor nodig is, zijn afspraken die schaal mogelijk maken, financiering die past bij lange tijdslijnen, sterke teams en een ecosysteem dat internationale groei faciliteert. Er is geen compleet gebrek aan geld of talent, maar een gebrek aan een gedeelde richting. Wanneer alle partijen dezelfde kant op bewegen, kan valorisatie doen wat het moet doen: kennis omzetten in impact.

← #nieuws

Subsidie langs de meetlat: sluit de Eurostars aan bij biotech?

, ,

Subsidies spelen een cruciale rol in het mogelijk maken van biotech-innovatie, waar ontwikkeltrajecten vaak lang, risicovol en kapitaalintensief zijn. Toch is het voor biotechbedrijven moeilijk een subsidieregeling te vinden die aansluit op hun unieke behoeften. Wat hollandbio betreft voldoet een succesvolle subsidieregeling aan zes voorwaarden. Benieuwd in hoeverre de Europese subsidieregeling Eurostars aansluit bij de behoeften van biotech?  In een nieuwe infographic scoren we deze subsidies op een schaal van 1 tot 10. 

Eurostars is onderdeel van het Europese innovatieprogramma Eureka. Via subsidies van maximaal €500.000 voor het Nederlandse projectaandeel jaagt deze regeling snellere ontwikkeling en groei aan van kleine bedrijven, mits die deelnemen aan een samenwerkingsverband tussen partijen uit meerdere Europese landen. Hoewel de subsidie Europees georiënteerd is, ligt de uitvoering ervan bij de lidstaten zelf. In Nederland is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) daarvoor verantwoordelijk. Dit heeft per jaar een totaal van €22 miljoen beschikbaar voor Nederlandse aanvragen verdeeld over twee calls. 

Wil een subsidie zoals Eurostars aansluiten bij biotech, dan moet die wat hollandbio betreft aan de volgende zes voorwaarden voldoen:   

  1. De regeling maakt vervolgfinanciering interessant, zodat investeerders vertrouwen houden en bedrijven de lange weg van lab naar markt kunnen voltooien.   
  1. De voorwaarden rond intellectueel eigendom (IP) zijn innovatie- en marktgericht, zonder knellende afspraken, publicatie-eisen of pandrechten die investeerbaarheid ondermijnen.    
  1. De verhouding tussen administratieve lasten en het subsidiebedrag is in balans. Het subsidiebedrag is groot genoeg om impactvolle investeringen mogelijk te maken en niet te complex, zodat ondernemers niet afhaken.  
  1. De regeling zet de ondernemer centraal. Ondernemers hebben zeggenschap over het project, zodat de samenwerking bijdraagt aan hun R&D-ambities en inhoudelijk relevant is voor de markt.   
  1. De beoordelingsprocedures zijn snel en flexibel, zodat projecten op het juiste moment kunnen starten om daadwerkelijk impact te maken.   
  1. Het beschikbare budget is toereikend en bereikbaar voor start- en scaleups, zodat kwalitatief goede projecten van groeiende bedrijven niet onnodig worden afgewezen. 

Hoe scoort Eurostars? 

Wanneer we Eurostars langs onze meetlat leggen, zien we het volgende: 

Op het gebied van vervolgfinanciering scoort de Eurostars erg goed. Het betreft namelijk een zuivere subsidie zonder terugbetalingsverplichting. Voor het MKB en kennisinstellingen wordt 50% van de projectkosten gesubsidieerd en voor grote bedrijven of andere instellingen bedragen de subsidiabele projectkosten maximaal 40%. De rest van de financiering moeten deelnemers uit andere bronnen halen. Hiermee scoort Eurostars een 9 uit 10. 

De IP-bescherming van Eurostars projecten is goed geregeld. Van tevoren maken de verschillende deelnemers in het project afspraken over intellectueel eigendom, wat resulteert in een score van 8 uit 10. 

De administratieve last van de Eurostars is relatief laag. Ze vereist twee keer per jaar een inhoudelijke update en aan het einde een uitgebreidere rapportage. Bij grotere consortia kan de last wat hoger zijn vanwege het grotere aandeel betrokken partijen. Daartegenover staat een subsidiebedrag van maximaal € 500.000. Dat is prima in balans, dus scoort deze subsidie hiervoor een 8 uit 10. 

Hoewel zeggenschap bij deze subsidie deels met andere samenwerkingspartners wordt gedeeld, zien wij dat de ondernemer altijd in de lead is bij de aanvraag. Met deze partners wordt er van tevoren een duidelijke consortiumsovereenkomst verwacht waarin vooraf duidelijke afspraken worden gemaakt. Ook is pivoteren in het project (na goedkeuring) mogelijk. Wij geven daarom een 8 uit 10. 

De doorlooptijd voor een Eurostars-aanvraag is lang. Na een Europese inhoudelijke controle en beoordeling wordt door RVO beoordeeld welke aanvragen gehonoreerd kunnen worden. Alles bij elkaar kost dit vijf tot zes maanden. Wij vinden dat erg stevig vinden en scoren hier daarom met een 4 uit 10. 

Het slagingspercentage van de Eurostars vinden wij met 50% acceptabel. Helaas is er niet genoeg budget beschikbaar om alle kwalitatief goede voorstellen van financiering te voorzien. Ook kan het gebeuren dat het budget van een samenwerkende lidstaat uit het project op is, waardoor het volledige project niet door kan gaan. Wij scoren deze subsidie hiervoor daarom een 7 uit 10. 

Al met al scoort de Eurostars, wat ons betreft, voor biotech dus erg goed. De populariteit van het instrument bevestigt dit: in het overzicht van gehonoreerde aanvragen tot en met september 2025 is te zien dat Nederlandse bedrijven de weg naar de Eurostars goed weten te vinden. Het enige minpuntje aan de Eurostars vinden wij de doorlooptijd, maar verder scoort de Eurostars uitstekend. Heb jij ervaring met deze subsidie, of een andere kijk op de Eurostars? Deel je inzichten met ons, dan zorgen we samen dat subsidieregelingen nóg beter gaan aansluiten bij de behoeften van biotech! 

← #nieuws

Scaling beyond Series C: Insights from the frontlines

, , ,

On Thursday, 21st May, hollandbio and De Brauw Blackstone Westbroek collaborated to support biotech companies in Scaling Beyond Series C at an exclusive event. 

The session kicked off with a market overview by hollandbio’s Annemiek and Jan Christoph Vollgraff (Vice President Healthcare Investment Banking at Van Lanschot Kempen), who set the stage with several observations on developments in the sector: 

  • All 10 biotech IPOs in 2026 listed on NASDAQ, with none choosing a European exchange 
  • Venture capital and private equity firms are facing increasing challenges in raising new funds 
  • Capital is concentrating around a limited number of late-stage winners 
  • This shift raises an important question: what happens if early-stage funding dries up, and the pipeline for future innovation shrinks? 

Jaap Barneveld (Partner at De Brauw Blackstone Westbroek) moderated the panel discussion with Paul van der Horst (CBO at Agomab Therapeutics), Zosia van Eesteren (Senior Associate at Gilde Healthcare), Oscar Marshall (Associate at EQT Group), and Jan Christoph Vollgraff. Raising capital beyond Series C is fundamentally different from earlier stages. The stakes are higher, timelines are longer, and expectations on both sides of the table are significantly more demanding.  

Drawing from Agomab Therapeutics’ journey through Series B to D and its IPO in February 2026, Paul van der Horst shared several practical lessons: 

  • Always explore multiple financing strategies. Think about IPO, private rounds, partnerships, or M&A. Start early, before you can even imagine ever raising a Series C, as each option requires significant preparation time;
  • Raise capital when you don’t urgently need it, not when you are under pressure;
  • Invest in relationships from day one; trust with investors is built over years, not months; 
  • Deliver on your promises—credibility compounds over time;
  • Professionalize governance, with a focused board and clear operational ownership within the management team; 
  • Plan financing with a multi-year horizon (typically 2–5 years); 
  • Hire ahead of your future needs, not just current challenges; 
  • Actively manage your news flow to sustain visibility and engagement. 

From the investor perspective, Zosia van Eesteren and Oscar Marshall highlighted how expectations are evolving alongside deal sizes: 

  • A strong, proven management team is critical; 
  • Companies with multiple assets and a clear platform strategy are more attractive; 
  • Experience matters. Serial entrepreneurship is a strong signal; 
  • Strategic investors, such as pharma partners, strengthen the cap table; 
  • Non-dilutive funding can be valuable, but the application process should not slow down momentum. 

While the path to late-stage funding is becoming more complex, one message stood out clearly: preparation is everything. Building the right story, relationships, and strategic options takes years, but only those who are ready can act when the window of opportunity opens.  

Hollandbio would like to sincerely thank De Brauw Blackstone Westbroek for their expertise and hospitality.

← #nieuws

3% actieplan, deel 9: Bouwen aan talent voor innovatie

,

Publieke én private investeringen in onderzoek en ontwikkeling zijn broodnodig voor een weerbare en toekomstbestendige economie. Met het 3%-R&D-actieplan lanceert het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) negen maatregelen die er gezamenlijk voor moeten zorgen dat in 2030 minstens 3% van ons bruto binnenlands product (bbp) naar onderzoek en ontwikkeling gaat. In deze 3%-serie laat hollandbio zien hoe en onder welke voorwaarden de negen maatregelen ook investeringen in biotech kunnen aanjagen. Vandaag de laatste, maar niet de minste: talent.

Het aantrekken en behouden van talent is de levensader voor elk bedrijf, maar absoluut niet eenvoudig. In de 3%-kamerbrief signaleert het ministerie van Economische Zaken en Klimaat dat er in recente jaren een stijging is geweest van studenten in een STEM (Science, Technology, Engineering en Mathematics). Toch heeft Nederland met 15,4 STEM-afgestudeerden in het hoger onderwijs per 1.000 inwoners nog een ruime achterstand ten opzichte van het Europese gemiddelde van 23. In de brief geeft het ministerie allereerst aan dat er al een aantal initiatieven lopen, zoals het Nationaal Versterkingsplan Microchiptalent en het Nationaal Groeifondsproject Techkwadraat. Daarnaast wil het ministerie inzetten op een grotere instroom van studenten door het innoveren van het onderwijs, het aantrekken van meer vrouwen in STEM-opleidingen en het verhogen van de arbeidsproductiviteit. Ook het blijven aantrekken van buitenlands talent via bijvoorbeeld de 30%-regeling en betere visa- en verblijfsregelingen.

De nadruk op talent van het 3%-actieplan staat niet op zichzelf, zeker niet als het om biotech-succes gaat. Zo maakt talentontwikkeling ook deel uit van de kabinetsbrede visie biotech. Daarnaast besteed het Rapport Wennink aandacht aan talent, als één van de vier essentiële randvoorwaarden voor toekomstig verdienvermogen. Wennink vraagt specifiek om excellentie in het onderwijs, prioritering van STEM-opleidingen, het aantrekken van internationaal talent, het structureel maken van om- en bijscholing en aanpassingen in het socialezekerheidsstelsel.

Het zal niemand verrassen dat ook hollandbio toegang tot passend talent van essentieel belang vindt om de ambitieuze doelen van de overheid voor biotech te realiseren. Hollandbio sluit zich dan ook aan bij de adviezen uit het Rapport Wennink. Daarnaast pleiten we voor snelheid, duidelijkheid en een overkoepelende aanpak die werkt, op basis van degelijk onderzoek naar de behoeften van de sector, met specifieke aandacht voor het bedrijfsleven. Met een arbeidsmarktonderzoek naar de behoeften van studenten doet hollandbio vast een duit in het zakje. Wat blijkt: studenten willen vooral een baan die ze plezier oplevert. En – wij spreken uit ervaring – dat doet een carrière in de biotech zeker!

← #nieuws

Looking back at hollandbio’s third CEO & Founder event in Amsterdam

, ,

Last Tuesday, hollandbio’s CEO & Founder network brought together 50 biotech CEO’s and founders to meet, talk and network among peers. Ask a biotech entrepreneur about the biggest hurdles between lab and market and attracting funding will probably be high on the list. For this exclusive event, hollandbio members came together at the Nauta Dutilh office in Amsterdam to discuss that very important topic: funding.  

Doing a deal requires a sharp eye and a well-organised process

To set the scene, Ruud Smits, managing partner at Nauta Dutilh, pointed out some of the pitfalls and challenges of biotech funding. When closing a deal, the devil is often in the details. Options and choices can have major consequences, urging the need to be very critical when choosing investors and always checking agreements and contracts thoroughly. And – as always – making sure you seek advice and learn from peers or experts, is the wise thing to do.

Biotech funding requires careful planning and strategy

After the insightful intro, hollandbio’s Wieteke welcomed three renowned biotech entrepreneurs to the stage to join the panel discussion. Maria van Dongen, who, after gaining extensive drug development experience at several leading pharmaceutical companies, co-founded the Swiss Allegria Therapeutics. As the company’s CEO, she recently secured $5.1 million in seed extension funding to progress its lead program towards pre-clinical candidates.

Maarten Bosch joined cultured meat pioneer Mosa Meat seven years ago, after an extensive career in various start-ups in the corporate sector. As the company’s CEO, Maarten secured €15 million in funding early this year – a success even more impressive given the struggle and even shut down other cultivated meat companies currently face.

Finally, serial entrepreneur and investor Ton Logtenberg took the stage. Ton is no stranger to biotech success, being instrumental in the successful growth and multibillion-dollar exits of Crucell and Merus. As CEO of his new endeavour Gyes, Ton is well on his way to proving his brilliance once again, pushing forward a new, paradigm-shifting platform approach in precision antibody therapeutics.

Together, the panellists gave their personal and open takes and learnings on funding strategy, risks, and opportunities. Some insights:

  • There is no denying that the Chinese biotech industry is growing and is hard to outcompete on costs and speed. Yet there have been some examples of European companies that do similarly well. And yes, geopolitics is a force to consider; the panel agreed that if played well, competing with Chinese biotech still is possible.
  • To compete, Gyes carefully designed a distinctive structure and IP strategy:  a holding company that not only fosters and perfects the platform technology, but also acts as the perfect all-in service provider for its spin-out companies with specific programs. Combined with Gyes’ strategy not to file IP for its technology, might prove to be a game-changer in biotech entrepreneurship.
  • The importance of scenario planning was another topic the CEO’s agreed on. Without downsizing the need to design the perfect funding strategy too, success often results from carefully designed back-up plans – scenarios B, C, and D – as scenario A hardly ever plays out. Being prepared helps to seize other opportunities when they present themselves.
  • As most investors are flooded with business proposals, standing out is key to success. Making sure you understand an investor’s mandate and choose the best fit with your business helps you to do just that. Our panellists agreed that for a successful fundraise you need a compelling story as well as scientific excellence.

After this vibrant and interactive discussion, there was ample room to meet and continue the conversation over drinks – a high-level networking opportunity amongst peers highly valued by the attending CEOs and founders.

See you next time at our CEO & Founder event!

← #nieuws

3%-R&D Actieplan, deel 8: Van kennis naar impact met betere valorisatie

,

Publieke én private investeringen in onderzoek en ontwikkeling zijn broodnodig voor een weerbare en toekomstbestendige economie. Met het 3%-R&D Actieplan lanceert het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) negen maatregelen die er gezamenlijk voor moeten zorgen dat in 2030 minstens 3% van ons bruto binnenlands product (bbp) naar onderzoek en ontwikkeling gaat. In deze 3%-serie laat hollandbio zien hoe en onder welke voorwaarden de negen maatregelen ook investeringen in biotech kunnen aanjagen. Vandaag zoomen we in op de 3%-acties voor betere valorisatie van kennis. Eerder liet hollandbio zien dat deze nog altijd lost in translation is. Hoog tijd dus voor actie!

In het 3%-actieplan signaleert EZK dat Nederland excelleert in academisch onderzoek, maar zijn sterke kennispositie wordt nog onvoldoende vertaald naar economische en maatschappelijke impact: het aantal spin‑offs en doorgroeiende startups blijft achter. Dat is een gemiste kans, omdat juist deze academische kennis een belangrijke bron vormt voor de R&D‑intensieve bedrijven van de toekomst. Belemmeringen liggen volgens het ministerie onder meer in beperkte prikkels voor valorisatie binnen kennisinstellingen, waar onderzoekers vooral op wetenschappelijke output worden beoordeeld, en in een moeizame omgang met intellectueel eigendom (IE). Hoewel het actieplan programma’s als Erkennen & Waarderen en de introductie van standaard deal terms als belangrijke stappen benoemt, lopen ondernemende onderzoekers en bedrijven nog te vaak vast in langdurige onderhandelingen, zo schrijft de minister.  

Om de vertaling van onze sterke kennispositie naar economische en maatschappelijke impact te verbeteren, werken de ministeries van OCW en EZK samen aan de versterking van valorisatie. De beide ministeries denken met onder meer heldere mandaten en structurele financiering voor TTO’s en KTO’s, brede implementatie van de standaard deal terms en mogelijke bemiddeling bij IE‑geschillen, hier werk van te kunnen maken. De  Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) gaat op hun verzoek adviseren over mogelijke vervolgacties. Tot slot geeft de minister aan een instrument voor vraaggedreven valorisatie te onderzoeken. Het verlagen van de drempel voor ondernemers van buiten de kennisinstellingen om aan de slag te gaan met nieuwe kennis kan mogelijk voorkomen dat kennis op de plank blijft liggen, aldus het ministerie.  

Hollandbio is het met de minister eens: van kennis die op de plank blijft liggen, wordt niemand beter. We zijn dan ook blij met initiatieven die serieus werk maken voor betere en snellere valorisatie. Tegelijkertijd bekruipt ons bij het lezen van de ministeriële plannen een gevoel van déjà vu. Ze brengen ons terug naar 2021, toen de AWTI het rapport Kansen pakken met kennis publiceerde. De boodschap toen was glashelder: zorg dat onderzoekers en ondernemers elkaar vinden, stimuleer kennisuitwisseling via mensen en organiseer valorisatie op maat met professionele ondersteuning. In datzelfde jaar kwamen ook de KTO’s zelf met een plan om het nationale valorisatie‑ecosysteem te versterken. Hun voorstel bestond uit drie bouwstenen: een landelijk knowledge transfersysteem van wereldklasse, sterkere samenwerking met ecosystemen en het gezamenlijk, gericht uitbreiden van KTO‑capaciteit. 

Het ministerie lijkt te missen dat er sinds die tijd best al wat is gebeurd. Vandaag de dag is bijvoorbeeld Biotech Booster up‑and‑running, precies met het doel om de commercialisatie van biotechvindingen in Nederland een boost te geven en een duurzame verbetering in de nationale valorisatiepraktijken te bewerkstelligen. Biotech Booster brengt de belangrijkste aanbevelingen al daadwerkelijk in de praktijk. Als landelijke organisatie met regionale verankering, versterkt het de KTO‑capaciteit en zorgt het ervoor dat ecosystemen – door nauwe betrokkenheid van onder meer onderzoekers, KTO’s, ondernemers en financiers – in ieder geval binnen de biotech beter en slimmer samenwerken. Ook werkt Biotech Booster aan het optimaliseren van het onderhandelingsproces en voor alle partijen werkbare voorwaarden om met kennis aan de slag te kunnen. Dat is precies wat Nederland nodig heeft voor het sneller omzetten van kennis in impact.  

Iedereen weet dat verandering weerbarstig is en bovenal veel tijd kost. Dat geldt zeker ook in de biotechsector, waar het succesvol ontwikkelen van een product zomaar vijftien jaar kan duren, en de kans op falen vele malen groter is dan de kans op het behalen van de eindstreep. Het is dan ook echt een kwestie van de lange adem voordat succes zichtbaar is. Kijk maar naar het Vlaamse Instituut voor Biotechnologie (VIB), dat eveneens tijd nodig had om zich te bewijzen, maar na 30 jaar niet meer weg te denken is als spilfactor in het Vlaamse biotechsucces. 

Willen we de vruchten van Biotech Booster plukken, laten we dan deze beweging de capaciteit, het mandaat en de continuïteit geven die nodig is om verandering te bestendigen en na decennia van stilstand zorgen dat onze excellente kennisbasis hand in hand gaat met bedrijvigheid en productlanceringen. De grote en groeiende betrokkenheid van ondernemers bij Biotech Booster getuigt ervan dat zij de valorisatiepotentie zien – een uitstekende indicator dat we op de goede weg zitten.

← #nieuws

Debat verdienvermogen: wel urgentie, nog geen tempo en duidelijkheid

,

Tijdens het Commissiedebat over het Nederlandse verdienvermogen dat vorige week plaatsvond in de Tweede Kamer stonden precies die onderwerpen centraal die biotech ondernemers direct raken, zoals de Onderneming in Moeilijkheden-regeling, het Innovatiekrediet en de Nationale Investeringsinstelling. Onze input aan Kamerleden had als belangrijkste boodschap dat de urgentie voor actie hoog is en dat we al de mooie ambities en woorden over onze koploperspositie in biotech waarmaken. Meerdere Tweede Kamerleden in de EZ-commissie stelden de juiste vragen, maar concrete stappen vanuit EZ-minister Herbert laten nog op zich wachten. 

Onderneming in Moeilijkheden: geen tijd te verliezen! 

Voor Ondernemingen in Moeilijkheden drong de Kamer terecht aan op tempo. Start‑ en scale‑ups hebben geen tijd voor oplossingen aan het eind van lange trajecten in Europese onderhandelingen. Kamerleden vroegen scherp door, maar behalve dat de minister zei dat ze eraan werkt, bleef het antwoord weinig concreet. Dat is zorgelijk voor innovatieve bedrijven die vandaag al vastlopen. Nederland kan al naar haar eigen mogelijkheden kijken voor een gelijker speelveld wat betreft staatssteunregels en de manier waarop wij boekhoudkundig omgaan met eigen en vreemd vermogen en de effecten daarvan op de status van je bedrijf als Onderneming in Moeilijkheden. Want waar het poortje in bijvoorbeeld Duitsland wijd openstaat voor staatssteun aan innovatieve start- en scale-ups, blijft deze in Nederland tot nog toe gesloten.  

Toekomstfonds: alternatieven voor bezuiniging blijven vaag 

Ook het Toekomstfonds kwam aan bod. De aangekondigde bezuiniging van het nieuwe kabinet op instrumenten zoals het Innovatiekrediet, de Vroegefasefinanciering en de SEED-Capitalregeling die juist innovatieve startups en scale-ups ten goede komen, erkende de minister als ‘pijnlijk’, maar een heroverweging bleef uit. De minister verwees naar alternatieve publieke financieringsinstrumenten die beschikbaar zouden zijn, zonder dat daadwerkelijk duidelijk werd wat dit in de praktijk betekent.     

Nationale Investeringsinstelling: geen oplossing voor vandaag 

Een positieve ontwikkeling is dat het ministerie van EZK ook werkt aan nieuwe innovatieaanjagers, zoals een Nationale Investeringsinstelling (NII) vanaf uiterlijk 2028, waaruit het Coalitieakkoord ook 3 tot 5 miljard euro voor is vrijgemaakt. Een NII kan op termijn veel betekenen voor strategische sectoren als biotech en innovatieve startups en scale-ups, zo blijkt uit vergelijkbare instellingen zoals die er in Duitsland en Frankrijk al zijn. Tegelijk zijn dit geen oplossingen voor vandaag. Naast een verkenning naar de contouren van een NII en een verdere doorkijk naar uitwerking richting deze zomer is er nog weinig bekend, laat staan zeker.  

Taskforce: biotech integraal op de agenda 

Een andere opsteker is de toezegging van de minister tijdens het debat op vragen van Tweede Kamerlid Bühler (CDA) dat zij de minister van VWS zal betrekken in het werk van de recent opgerichte Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat zodra het over biotech gaat. De Taskforce is in het leven geroepen om de aanbevelingen uit het rapport-Wennink verder uit te werken, en komt onder andere binnen zes maanden met een plan van aanpak op Biotech en Life Sciences als één van de vier sectoren die het rapport als cruciaal voor Nederland beschouwt. De minister van VWS heeft geen vaste plek aan tafel in de Taskforce, terwijl het ministerie wel een belangrijke rol speelt in biotech en life sciences. Met de toezegging is er in ieder geval een expliciete erkenning voor het belang van betrokkenheid van VWS bij het werk dat de Taskforce op biotech en life sciences gaat verzetten. 

En nu over naar actie 

Tijdens het debat zag hollandbio betrokken Kamerleden die de juiste vragen stelden en een minister die het gevoel voor de urgentie deelt. Nu is het zaak om die urgentie ook om te zetten in snelle, toepasbare en betrouwbare acties en maatregelen – zodat biotechbedrijven kunnen groeien en bloeien, ook hier en nu. En dat is precies waar hollandbio op in zal zetten in gesprekken met Kamerleden en ministeries. 

← #nieuws

Nieuwe definities start- en scale-up voor Box 3 en medewerkersparticipatie wijzigingen laten te wensen over voor biotech

Recent publiceerde de Nederlandse overheid een wetsvoorstel voor en open consultatie over de Wet fiscale stimulering van startups en scale-ups met daarin een fiscale regeling voor medewerkersparticipatie en een definitie waarmee start- en scale-ups een uitzondering krijgen op de nieuwe vermogensbelasting (box 3). Beide zijn enorm relevante aanpassingen voor Nederlandse biotechbedrijven, maar het huidige voorstel laat volgens hollandbio nog te wensen over. Zo wordt onvoldoende rekening gehouden met de specifieke kenmerken van biotechbedrijven en zijn de voorgestelde definities onduidelijk en lastig uitvoerbaar.

Waarom dit voorstel?

Een aantrekkelijker fiscaal klimaat voor innovatieve bedrijven én hun medewerkers, dat is het doel van deze nieuwe wetgeving. Begin dit jaar kondigde het kabinet een nieuw stelsel voor vermogensbelasting (box 3) aan, gebaseerd op vermogensaanwas in plaats van daadwerkelijk rendement. Na instemming door de Tweede Kamer, ontstond grote commotie in binnen- en buitenland. Het betalen van belasting over papieren winst is namelijk problematisch voor aandeelhouders en medewerkers van startups en scale-ups. Reden genoeg voor minister van Financiën, Eelco Heinen, om met de plannen terug naar de tekentafel te gaan.

Wat staat er in dit voorstel?

In het recent verschenen wetsvoorstel introduceert het kabinet een stelsel waarin de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op basis van een puntensysteem gaat beoordelen of een bedrijf een startup of scale-up is. Voor een hoge score in dit puntensysteem moet een onderneming beschikken over een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel. Het wetsvoorstel definieert dit als het vermogen tot snelle omzetgroei zonder lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik van technologie die tot lagere marginale kosten leidt en schaalvoordelen biedt. Een positief advies zorgt voor een uitzondering voor de box 3-belasting en dat aandelen pas belast worden bij realisatie en niet meer bij de aanwas. Ook belast de overheid dan slechts 65% van het voordeel uit de aandelenopties.

Waar wringt het?

Het voorstel van de overheid heeft het juiste doel, maar dreigt ervoor te zorgen dat biotech bedrijven buiten de boot vallen. Dit omdat de kenmerken van biotech bedrijven niet matchen met de eisen die RVO gaat hanteren. Zo kennen biotech bedrijven lange en dure ontwikkeltrajecten en zijn trajecten rondom klinisch onderzoek, industriële opschaling en registratieprocessen vaak productspecifiek en daarmee lastig herhaalbaar. Het wetsvoorstel leent zich daarmee prima voor SaaS- of Fintechstartups, maar laat biotech in de kou staan.

Wat is er dan wel nodig?

Wat hollandbio betreft, doen we dat anders. Zo is de potentie van een startup om wereldwijd zowel maatschappelijk als economisch een verschil te maken een veel beter beoordelingscriterium dan snelheid en herhaalbaarheid. Ook ziet hollandbio het recent aantrekken van privaat kapitaal zoals venture capital als belangrijk criterium, omdat dit een kenmerk is waarmee bijna alle start- en scale-ups zich onderscheiden. Als laatste vinden we dat er meer rekening moet worden gehouden met de beperkingen van dit wetsvoorstel. Zoals Lucien Burm, voorzitter van de Dutch Startup Association, becijferde, zijn er 11.000 bedrijven te beoordelen. Een klus die ongetwijfeld tot veel vertraging en onduidelijkheid gaat leiden, terwijl snelheid en duidelijkheid hierbij juist essentieel zijn.

Laat jouw stem horen!

Het belang van deze wetswijzigingen voor aandeelhouders en medewerkers van biotech start- en scale-ups, en daarmee voor de aantrekkingskracht van Nederland als innovatieland, is enorm. Laat daarom vooral van je horen: tot 29 april kun je reageren op de consultatie over dit wetsvoorstel via deze website.