← #nieuws

Letta-rapport pleit voor ‘vijfde vrijheid’ op onderzoek en innovatie 

De Europese Unie heeft behoefte aan een vernieuwde interne markt die een ‘vijfde vrijheid’ omvat, gericht op het vrije verkeer van onderzoek, innovatie, kennis en onderwijs. Dat stelt de voormalige Italiaanse premier Enrico Letta in een rapport voor de Europese Raad en de Europese Commissie. Hollandbio juicht diverse aanbevelingen uit het rapport toe omdat zij bijdragen aan een Europees ecosysteem waarin betere verspreiding van kennis leidt tot het oplossen van maatschappelijke uitdagingen, bedrijvigheid en banen.

Vanuit een biotech-bril bekeken zijn met name de eerste drie van de zes hoofdstukken met aanbevelingen uit het rapport relevant. De eerste poot bestaat uit de ‘vijfde vrijheid’ waarbij het rapport het belang van onderzoek, (digitale) gegevensuitwisseling en valorisatie benadrukt. Ook moet er meer steun komen voor startups en MKB en harmonisering en modernisering van wet- en regelgeving in cruciale velden die de EU zou moeten stimuleren waaronder biotech.  

Een belangrijke tweede uitdaging zit in het beter laten functioneren van de interne markt en met name rond de vraag hoe bedrijven meer financiering en ander kapitaal kunnen aantrekken. Naast het komen tot een kapitaalmarktunie, stelt het rapport onder andere voor een EU Deep Tech Stock Exchange op te richten in navolging van de NASDAQ in de Verenigde Staten. Een andere aanbeveling stelt voor meer aandacht te besteden aan staatssteunregels en deze beter in te zetten voor groei en het vergroten van publieke R&D-investeringen.  

Als derde pijler is er ook aandacht voor verschillende sectoren waar specifieke verbeteringen in nodig zijn, waaronder de gezondheidszorg. Het rapport stelt aanbevelingen voor rondom het voorkomen dat nieuwe producten alleen op nationaal niveau worden goedgekeurd, dat er meer aandacht moet komen voor antimicrobiële resistentie (AMR) en neurodegeneratieve ziekten, en dat het PRIME-programma van EMA een fast-track moet krijgen binnen het gezamenlijke HTA-proces. Ook gaat het rapport in op grensoverschrijdende gezondheidszorg en klinisch onderzoek, en komt het met plannen voor de gezamenlijke inkoop van bepaalde innovatieve en weesgeneesmiddelen. 

De Nederlandse overheid neemt de conclusies en aanbevelingen van het Letta-rapport serieus. In de duiding daarvan in een zogeheten appreciatie, geeft het kabinet aan dat zij de aanbevelingen uit het rapport bij de aankomende vergaderingen van de Europese Raad wil blijven betrekken. 

← #nieuws

Innovatiekrediet dreigt haar glans te verliezen

, ,

Jarenlang stond het Innovatiekrediet te boek als één van de belangrijkste publieke financieringsmogelijkheden voor start- en scale-ups in de biotech sector. Hoewel de behoefte aan risicokapitaal vandaag de dag misschien wel groter is dan ooit, liep het aantal aanvragen voor het instrument de afgelopen vijf jaar met vijftig procent terug, zo blijkt uit de evaluatie van het Innovatiekrediet. Ondanks dat de evaluatie niet ingaat op deze trend, vindt hollandbio het een duidelijk signaal dat het krediet haar glans voor de sector dreigt te verliezen.

Populariteit holt achteruit

De populariteit van het Innovatiekrediet, ooit het go-to instrument voor risicovolle kennis- en kapitaalintensieve biotech projecten, holt achteruit. Dienden bedrijven in 2018 nog 105 aanvragen in, zijn dat er in 2023 nog maar 57. Een daling van bijna 50%, terwijl de kapitaalbehoefte van start- en scale-ups zeker niet is afgenomen. Hoewel de terugloop in het aantal aanvragen volgens hollandbio een teken aan de wand is en de neergaande lijn op zijn minst vragen zou moeten oproepen, gaat de evaluatie van het Innovatiekrediet 2018-2022 hier goeddeels aan voorbij.

Verbetering hard nodig

Al jaren vraagt hollandbio aandacht voor cruciale verbeteringen die het Innovatiekrediet weer beter moet doen aansluiten bij het specifieke innovatietraject en de financieringsbehoefte van biotech bedrijven rondom rente, administratiedruk, flexibiliteit en terugbetaaltermijn. We lezen die behoeften van ondernemers helaas maar mondjesmaat terug in de evaluatie. Dat is niet verwonderlijk: de onderzoekers interviewden enkel ondernemers die wél een krediet hebben aangevraagd, maar niet de bedrijven die daar ondanks hun financieringsbehoefte van afzagen. Na lezing van de evaluatie rijst bij hollandbio de vraag wat eigenlijk het hoofddoel van de evaluatie was: meten of en in hoeverre het krediet de succesvolle ontwikkeling van een innovatie bevordert, of toch vooral de positieve evaluatie zelf. Gelukkig haalde één van de belangrijkste pijnpunten de evaluatie wel: het criterium dat projecten binnen vijf jaar tot een marktrijp product moeten leiden is niet realistisch voor veel biotech bedrijven. In de biotech sector kan het immers zo maar tien tot zelfs twintig jaar duren voordat een product eindelijk de markt bereikt.

Revolverendheid prioriteit

Wat bovendien opvalt, is de nadruk op ‘bang for the buck’, de mate van terugbetaling van het Innovatiekrediet. Het lijkt een bredere trend in publieke financiering: in plaats van financieringsgaten te dichten daar waar de noodzaak en risico’s te hoog zijn voor private geldschieters, en rendement dus ongewis, zet de overheid alsnog in op ‘revolverendheid’. Dat is jargon voor het terugverdienen van de verstrekte subsidie of lening, in dit geval door een dikke vette rente die het genomen risico en de termijn dekt. Daar heb je bij het aangaan van het krediet misschien niet zoveel last van als ondernemer, maar bij aanvang van afbetaling, of het aantrekken van vervolgfinanciering des te meer. Soms zodanig, dat niet alleen het doek voortijdig valt voor het gefinancierde project, maar zelfs de continuïteit van het bedrijf op de tocht komt te staan.

Luister naar de ondernemer

Nederland heeft grote ambities als het gaat om het verzilveren van de kansen die biotech biedt voor onze gezondheid, de duurzaamheid van onze planeet en ons nationale verdienvermogen, zo blijkt uit de prominente positie die de sector inneemt in diverse nationale strategieën en programma’s, zoals de Nationale Technologiestrategie, de Groeimarktanalyse, de Nationale Eiwitstrategie en de Rijksbrede visie biotechnologie. Succesvol ondernemerschap is daarin absoluut onmisbaar – en succes van de ondernemer valt of staat in de regel bij het aantrekken van passende financiering. Met die feiten in het achterhoofd, is het raadzaam om de input van die ondernemer – gebruiker en juist niet – ook daadwerkelijk leidend te maken bij het ontwikkelen, evalueren en bijschaven van financieringsinstrumenten die juist hen moeten helpen. Hollandbio brengt het ministerie van EZK én RVO graag met hen in contact.

← #nieuws

Waarom extra publieke middelen voor R&D een goed idee zijn

,

Extra publieke financiering is nodig om de achterblijvende investeringen in R&D in te halen, zo betoogt Marcel de Heide economenvakblad ESB. Nederland haalt de 3%-BBP-norm aan R&D-uitgaven niet, en daardoor dreigen we achterop te raken in de wedloop voor een concurrerende economie – zowel nu als in de toekomst. Een extra stap van de overheid kan een oplossing bieden. Maar wat zijn de opties en de beoogde effecten hiervan?

Econoom Marcel de Heide neemt in het artikel een diepgaande kijk op de kwestie en probeert een veelvoorkomende angst weg te nemen. Hij legt uit waarom het publiek financieren van privaat onderzoek altijd meer geld kost dan strikt gezien nodig is om de investering uit te lokken. De angst voor een te grote innovatiepremie (crowding-out) is echter onterecht, gezien het positieve effect van deze investeringen.

De relevante vraag is namelijk: wat is de totale impact op de economie en de maatschappij van de additionele innovatie? Het probleemoplossend vermogen van bedrijven is cruciaal voor het creëren van nieuwe of vernieuwde producten en diensten die waarde genereren voor de samenleving. De innovatiepremie die ontstaat bij publieke financiering is noodzakelijk om de groep innoverende bedrijven te vergroten; het doel heiligt het middel.

Publieke financiering van private R&D is effectief

De stelling dat publieke financiering van private R&D effectief is, volgt na een uitgebreide analyse. Deze analyse is gebaseerd op het idee dat bedrijven de verwachte kosten, de mogelijke kans op falen en de potentiële impact op winst afwegen voordat zij investeren in R&D. Met een publieke investering kan de overheid deze factoren beïnvloeden, zodat de uitkomst positiever is en een bedrijf dus eerder of meer zal investeren.

Onduidelijkheid over de effecten omvang en voorwaarden publieke financiering voor bedrijven

De innovatiepremie ontstaat doordat publiek geld een deel van het private geld verdringt (crowding-out). Een belangrijke vraag die onbelicht blijft, is waarom deze verdringing plaatsvindt. Welke factor wordt door bedrijven teruggedraaid na de toevoeging van publieke middelen? Verwachten ze dat de kosten omhoog gaan, bijvoorbeeld doordat onderzoek langer duurt? Stijgt de kans op falen? Verminderen betalingsverplichtingen de investeerbaarheid in latere fasen? Of wordt de winstverwachting naar beneden bijgesteld omdat kennis moet worden gedeeld in publiek-private samenwerkingen? Het omgekeerde kan daarmee ook waar zijn voor de rol van publieke financiering: de omvang en de voorwaarden die aan publieke middelen hangen, kunnen óók invloed hebben op de effectiviteit van publieke financiering en het uitlokken van private R&D-investeringen.

Rol publieke financiering als vliegwiel andermaal aangetoond, tijd voor actie!

Wat hoe dan ook als een paal boven water staat, is dat publieke financiering bedrijven kan stimuleren tot R&D-investeringen door hun kosten te verlagen, hun risico’s te verminderen en hun winstpotentieel te vergroten. Dit resulteert in een bredere basis van innoverende bedrijven en een grotere totale impact op de economie en maatschappij. De innovatiepremie die hiervoor betaald moet worden, wordt gedeeld door beide partijen. Tijd om daar snel mee aan de slag te gaan!

← #nieuws

Rapport Technopolis verkent positie klinisch onderzoek binnen de WBSO 

In een recente verkenning van onderzoeksbureau Technopolis van de positie van klinisch onderzoek binnen de WBSO, komt naar voren dat klinisch onderzoek een vorm van R&D is die duidelijk onder de WBSO valt. Waar de aandacht in het rapport met name naar uitgaat, is de uitzonderingspositie vanuit de farmaciebrief van 1998 waarmee opdrachtnemende partijen voor uitbesteed onderzoek WBSO aan kunnen vragen. Die situatie is, voor zowel opdrachtgever als opdrachtnemer en RVO als uitvoerder, complex. Technopolis schetst verschillende scenario’s richting de toekomst, die EZK mogelijk gaat gebruiken bij de evaluatie van de WBSO als geheel in 2025. Hollandbio is benieuwd welke biotechbedrijven binnen en buiten haar achterban ervaring hebben met deze uitzonderingspositie en hoe zij kijken naar de conclusies en aanbevelingen uit de verkenning van Technopolis. Input is welkom via hollandbio’s Robbert!

Context WBSO, farmaciebrief en verkenning 

De Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) is al ruim 30 jaar lang een belangrijk fiscaal instrument waarmee Nederland R&D bij bedrijven stimuleert. Sinds 1998 hanteert de overheid de ‘farmaciebrief’ als leidraad voor de positie van klinisch onderzoek binnen de WBSO, en een recente verkenning van onderzoeksbureau Technopolis in opdracht van het ministerie van Economische Zaken (EZK) brengt in kaart hoe deze leidraad functioneert. 

De verkenning dient voor EZK om diepgaander te begrijpen hoe de farmaceutische sector werkt, wat de stand van zaken is van het vestigingsklimaat binnen de farmaceutische sector en hoe de WBSO en de farmaciebrief daarom een rol spelen. Hoewel het expliciet niet de doelstelling was om vanuit de verkenning aanbevelingen te verkrijgen over mogelijke aanpassingen aan het beleid, zet Technopolis wel een aantal toekomstscenario’s op een rijtje. 

Uitkomsten verkenning Technopolis 

In de verkenning komt naar voren dat het totale belastingvoordeel uit de uitzonderingsregeling binnen de farmaciebrief relatief laag is, namelijk 6.77 mln euro terwijl het totaal van de categorie medische wetenschappen & farma op 182 mln euro staat. Ook het aantal farmabedrijven dat op deze manier de WBSO inzet is relatief laag, namelijk 28 van de in totaal 471 bedrijven die een WBSO aanvroegen voor R&D rond geneesmiddelenontwikkeling. 

De uitzondering die dit type onderzoek nu vormt leidt tot uitdagingen bij RVO als uitvoeringsorganisatie en ook bij opdrachtgevers en opdrachtnemers is niet altijd duidelijk of en wanneer WBSO aangevraagd kan worden. Sommige partijen zien hier daarom in zijn geheel van af.  

Toekomstscenario’s een brug te ver 

In het rapport schetst Technopolis ook een aantal toekomstscenario’s voor de uitzonderingspositie die de farmaciebrief geeft. Wat hollandbio betreft is dat, gezien de eerdere conclusies en vaststellingen, voor nu nog een brug te ver. De grote onduidelijkheid over de onderliggende cijfers en statistieken, de complexe en internationale keten van geneesmiddelenontwikkeling en onderlinge relaties tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers en de onzekerheid over wanneer er nu wel of niet een beroep gedaan kan worden op de uitzonderingspositie maken dat we voor nu vooral meer inzichten en duidelijkheid nodig hebben. Zeker omdat uit de verkenning ook duidelijk wordt dat het vestigingsklimaat in de farmaceutische en biotech sector een belangrijk en gevoelig onderdeel is van het Nederlandse ecosysteem.  

Omdat de uitzondering zo complex lijkt te zijn en tot onduidelijkheid leidt, is hollandbio benieuwd welke biotechbedrijven binnen en buiten haar achterban ervaring hebben met deze uitzonderingspositie en hoe zij kijken naar de conclusies en aanbevelingen uit de verkenning van Technopolis. Input is welkom via hollandbio’s Robbert! 

← #nieuws

No go voor de SRGO?

,

‘€30 miljoen ondersteuning mkb’ers en onderzoekers biomedische innovatie’, lazen we afgelopen week op Rijksoverheid.nl. De vlag ging bijna uit bij hollandbio, want passende financiering is van levensbelang voor het succes van de sector. Na lezing van de voorwaarden van de nieuwe Subsidieregeling Regeneratief Geneeskundige Onderzoeksprojecten (SRGO) sloeg de twijfel echter toe. Het valt nog maar te bezien of de complexe en gekunstelde constructie van een private lening en een publieke subsidie een aanwinst is voor het biotech mkb.

Vraag een biotech ondernemer naar zijn of haar grootste uitdaging, en de kans is groot dat het antwoord ‘financiering’ is. De weg die biotech innovaties afleggen van lab naar maatschappij is lang, vol risico’s en kostbaar. Een passend financieringsaanbod voor elke fase van bedrijfs- en productontwikkeling is dan ook een harde voorwaarde om de potentie van biotech te benutten. Hollandbio zet zich daar elke dag voor in. Niet verwonderlijk dat we de aankondiging van een kakelverse nieuwe financieringsmogelijkheid, de SRGO, in eerste instantie met gejuich ontvingen. Na lezing van de kleine lettertjes sloeg de twijfel echter toe.

Met de SRGO maakt de overheid € 30 miljoen vrij voor samenwerkingen tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen voor onderzoek en ontwikkeling naar een nieuw product of dienst in de regeneratieve geneeskunde. Dit doet ze via een regeling die een leningdeel voor het mkb van minimaal 60% van het aangevraagde budget combineert met een subsidie van maximaal 40% voor een kennisinstelling. Het totale aan te vragen budget moet tussen 0,5 en 3 miljoen euro liggen.

Alle goede intenties ten spijt zien we in de SRGO een verwarrende mix van Innovatiekrediet en PPS-subsidie: twee bestaande instrumenten die eveneens bedoeld zijn om innovatief biotech mkb te helpen, maar daar – om uiteenlopende redenen – niet optimaal in slagen en waarvoor hollandbio al jarenlang verbeteringen aandraagt. Waarom er voor de complexe constructie gekozen is en welk voordeel deze lening-met-gedwongen-publieke-samenwerking heeft boven het bestaande instrumentarium, is hollandbio onduidelijk. De SRGO bevat bovendien zoveel minimale en maximale percentages en bedragen, dat het alleen al uitdagend is om tot een illustratief rekenvoorbeeld te komen. En hoewel sommige voorwaarden net wat verbeterd zijn ten opzichte van bestaande regelingen, lijkt een aantal nieuwe voorwaarden haaks te staan op de wetten van de markt.

We zien het helaas vaker als het om biotech-beleid gaat: de overheid gaat gelijktijdig op het gaspedaal en de rem staan. We willen transities versnellen, zonder de status quo ter discussie stellen. Investeringen aanjagen, zonder dat daar iemand rijk mee kan worden. Innovatie stimuleren, zonder risico’s te accepteren. Het resultaat: een uitdijend geheel van visies, strategieën, agenda’s, procedures, instrumenten, toolboxen, loketten, vouchers en regelingen, die stuk voor stuk op papier het beste met de sector zeggen voor te hebben, maar die in de praktijk niet tegemoet komen aan de behoefte van biotech ondernemers en daardoor maatschappelijk succes in de weg staan.

Dat is zonde en bovendien totaal onnodig. Het kan immers ook anders, zo laten onze Zuiderburen zien. In Vlaanderen kan biotech mkb wel onverdunde, aanzienlijke subsidies krijgen, onder exact dezelfde Europese Staatssteunregels die dat in Nederland onmogelijk zouden maken. Daarbij stelt het VLAIO, het Vlaamse RVO, de harde, maar niet remmende voorwaarde dat toekomstige werkgelegenheid in Vlaanderen landt. Een absolute win-win voor overheid én bedrijf. Dus waarom zou het in Nederland dan zo ingewikkeld moeten?

Nederland heeft alles in huis om uit te groeien tot een wereldwijde biotech koploper, laten we die kans grijpen. We vragen daarbij niet zozeer om meer beleid of meer geld, maar om een vleugje lef, een snufje risicoappetijt en vooral om het slimmer en directer inzetten van bestaande middelen. Dat vergt daadkracht en samenwerking, tussen ministeries en met het bedrijfsleven, om spelregels af te spreken die voor iedereen werkbaar zijn. Samen kunnen we de stap vooruitzetten en ervoor zorgen dat we de ontwikkeling van een mooiere wereld voor de toekomstige generatie niet vertragen.

De regeling in het kort:

  • De SRGO ondersteuning is bedoeld voor samenwerkingen tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen voor onderzoek en ontwikkeling naar een nieuw product of dienst in de regeneratieve geneeskunde.
  • De aanvraag moet voor minimaal 500K euro en maximaal 3 mln euro zijn
  • Het MKB bedrijf moet een lening aangaan van minimaal 60% van het aangevraagde budget
  • Het MKB bedrijf mag de lening voor maximaal 50% van het eigen onderzoeksbudget inzetten.
  • Beide partijen leggen minimaal 125K euro in.
  • Subsidie bedraag maximaal 40% van het aangevraagde budget
  • Bij fundamenteel onderzoek wordt 100% subsidie toegekend, 50% bij industrieel en 25% bij experimenteel onderzoek. (definities steunkaders)
  • 10% van de projectkosten moeten bestaan uit fundamenteel onderzoek (waarvoor dus wel 100% subsidie verleend kan worden)
  • Er moet aan het einde van het project een vergoeding van 15% over de lening worden betaald. (dit hoeft echter niet in 1 keer)
  • De rente van 3% (2024) wordt vanaf de start betaald.
  • De lening wordt in delen overgemaakt, de rente wordt alleen over het beschikbare deel betaald
  • De maximale terugbetaal termijn is 14 jaar.
  • Gedurende de looptijd van de lening mag het bedrijf geen uitkering doen aan aandeelhouders.

Mocht je nog vragen hebben of overwegen een aanvraag in te dienen, neem vooral contact op met ons Innovatieklimaat team: dora.menting@hollandbio.nl. Wij horen graag jullie overwegingen en helpen je waar mogelijk met onduidelijkheden of contacten.

← #nieuws

Zonder overheidssteun geen volgende ASML

Het geldt als een van de pronkstukken van de Nederlandse economie: chipmachinemaker ASML. Hoe kon zo’n bedrijf uitgroeien tot kroonjuweel, vroeg VNO-NCW’s opinieblad Forum zich af. Wat blijkt: overheidssteun en een voorloper van het Nationaal Groeifonds valt niet weg te denken uit dat succes. Of zoals Forum het verwoordt: “De overheid is geen geluksmachine. Maar het lukt de Nederlandse staat behoorlijk aardig om te helpen bij het bouwen ervan”. Alle reden om dergelijke overheidssteun te behouden.

← #nieuws

Investeren in startups: een plaats op de eerste rij

Verschillende grote bedrijven, waaronder KPN, Volvo, Shell, Cisco en dsm-firmenich, investeren in startups, zo meldt het FD. In een uitgebreid artikel gaat het dagblad in op de vraag wat de voordelen zijn voor grotere bedrijven om dat te doen, en ook waarom dit waardevol is voor de startups zelf.

De nieuwe ideeën die startups voortbrengen vormen een bron van inspiratie voor nieuwe producten. Grote bedrijven zijn simpelweg niet altijd in staat om elk product of technische oplossing zelf te ontwikkelen. Een investering dient dan als een soort entreekaartje om de nieuwste technologische ontwikkelingen van dichtbij te volgen.

Dsm-firmenich Venturing is bijvoorbeeld nieuwsgierig betrokken bij bedrijven die onderzoek doen naar de relatie tussen het darmstelsel en onze hersenen. In dit domein worden dagelijks nieuwe inzichten verkregen. Zelfs als een startup een andere richting inslaat, blijft dsm-firmenich vaak betrokken, bijvoorbeeld op het gebied van zonnecellen en 3D-printen, waarbij ze blijven begeleiden tot aan een exit.

Hebben startups baat bij de aanwezigheid van zo’n grote speler die meekijkt? Het voordeel van deze bedrijfsinvesteringen is dat het grote bedrijf op zoek is naar iets specifieks, zoals een product, technologie of expertise. Het gaat daarbij niet alleen om het terugverdienen van de investering; de technologische uitstraling en samenwerking zijn ook van onschatbare waarde. Bovendien zijn er vaak mogelijkheden voor vervolginvesteringen vanuit het grote bedrijf wanneer bepaalde mijlpalen worden behaald.

← #nieuws

CPB: investeer als overheid in startende en doorgroeiende bedrijven en bedrijven met grote maatschappelijke baten

Overheden kunnen het beste private projecten met grote maatschappelijke baten en jonge of kleine bedrijven financieren, zo luidt de belangrijkste aanbeveling van het Centraal Planbureau (CPB) in een recent advies aan de overheid. Hollandbio kan eigenlijk geen betere doelgroep bedenken dan de toonaangevende biotechnologiebedrijven die ons land rijk is, omdat zij bij uitstek grote maatschappelijke baten leveren in de vorm van nieuwe geneesmiddelen, betere gewassen en milieuvriendelijke materialen en voor het overgrote deel bestaan uit start-, scale-ups en MKB’ers. Wij kunnen dan ook niet wachten totdat de overheden deze en andere aanbevelingen van het CPB ter harte neemt in aankomende evaluaties van financieringsinstrumenten en in nieuw beleid.

Het rapport van het CPB biedt handvatten voor het doeltreffend inzetten en ontwerpen van publieke projectfinanciering. Denk daarbij aan directe subsidies, publiek durfkapitaal, overheidsleningen en kredietgaranties en voorbeelden zoals het Nationaal Groeifonds en Invest-NL. Volgens het CPB komt uit de wetenschappelijke literatuur naar voren dat publieke projectfinanciering zich voornamelijk moet richten op projecten met grote positieve externe effecten en maatschappelijke baten. Daarnaast kan publieke projectfinanciering ook nuttig voor jonge en kleine bedrijven die lastig aan financiering kunnen komen, terwijl het project dat zij willen opstarten wel rendabel kan zijn.

Een andere aanbeveling die het CPB doet als het gaat om onderinvestering, is dat verschillende vormen van financieringstekorten bij bedrijven vragen om verschillende instrumenten. Zo kunnen directe subsidies innovatie bevorderen en de kans op vervolgfinanciering vanuit de private sector vergroten, terwijl overheidsleningen en kredietgaranties jonge bedrijven kunnen helpen een periode met weinig of geen bedrijfsresultaten te overbruggen. Verder lijkt het CPB het logisch om voor publieke financiering van private projecten met grote maatschappelijke baten een lager rendement dan de markt te eisen. Een deel van het rendement voor de overheid zijn namelijk juist die maatschappelijke baten van het project.

Hollandbio leest in het rapport en de aanbevelingen van het CPB veel aanknopingspunten terug voor overheden die kunnen helpen om biotechnologiebedrijven, die hoofdzakelijk uit jonge en kleine bedrijven bestaan en grote maatschappelijke baten willen bewerkstelligen met hun innovaties, een stap verder te helpen. Dat is nodig ook, want biotech ondernemers lopen bij uitstek aan tegen een valley of death in het Nederlandse en Europese financieringslandschap waardoor zij vertraging oplopen of zelfs stranden. Een slimmere en betere inzet van publieke financieringsinstrumenten kan Nederlandse biotech koplopers de hoognodige steun in de rug geven voor snelle doorgroei en het naar de maatschappij brengen van nieuwe geneesmiddelen, betere gewassen en milieuvriendelijk voedsel en materialen.

← #nieuws

Biotech financiering onder de loep: WBSO

, ,

Vraag biotech ondernemers naar hun grootste uitdaging, en de kans is groot dat het antwoord ‘financiering’ is. De weg die biotech innovaties afleggen van lab naar maatschappij is lang, vol risico’s en extreem kostbaar. Een passend financieringsaanbod voor elke fase van bedrijfs- en productontwikkeling is dan ook een belangrijke randvoorwaarde om de potentie van biotech voor gezondheid, verduurzaming en onze economie ten volle te benutten. Maar hoe is het gesteld met het Nederlandse financiële middelen voor biotech innovatie? Hollandbio zoekt het uit. Na de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROMs) en Invest-NL, nemen we deze keer de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) onder de loep. 

Hoewel de WBSO strikt genomen geen financieringsinstrument is, is de fiscale regeling weldegelijk een belangrijk instrument voor biotech bedrijven. De regeling vergoedt een deel van gemaakte kosten voor onderzoek en ontwikkeling (R&D) en draagt daarmee direct bij aan het stimuleren van innovatie. Aangezien R&D de drijvende kracht is achter biotech innovatie, heeft de WBSO veel impact op de biotech sector. Het jaarverslag 2022 laat zien dat de WBSO ruim €246 miljoen euro aan voordeel, zogeheten afdrachtsvermindering, heeft opgeleverd voor maar liefst 618 biotech bedrijven. Het aantal biotech bedrijven dat dankbaar gebruik maakt van de WBSO is de afgelopen jaren gestegen, en daarmee ook de totale afdrachtsvermindering.  

Hollandbio ziet de WBSO als een cruciale stimulans voor alle innovatieve Nederlandse bedrijven. Wat de regeling bovendien extra waardevol maakt, is het percentage MKB-bedrijven dat profiteert: 96% van het totaal aantal. Dit is tekenend voor de toegankelijkheid van het instrument. Bovendien is het vermeldenswaardig dat mede door de inspanningen van hollandbio de WBSO in 2022 geïndexeerd is en er dus een inflatiecorrectie op het budget heeft plaatsgevonden.  

Om tot deze publicatie te komen, hebben we de categorieën “Biotechnologie” en “Medische Wetenschappen & Farma” samengenomen, maar andere categorieën buiten beschouwing gelaten, ondanks dat biotech daar mogelijk ook een beperkt aandeel in heeft. Het is dus waarschijnlijk dat het daadwerkelijke aandeel van biotech bedrijven in de WBSO groter is dan weergegeven. 

← #nieuws

Gas geven, niet remmen! EZK & RVO ontmoeten biotech frontrunners bij Genmab

, , ,

Met de biorevolutie in volle gang hebben het Ministerie van Economische Zaken (EZK) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) de gelegenheid te baat genomen om de kansen die er liggen voor Nederland tijdens een werkbezoek aan en met biotech koplopers bij Genmab in Utrecht van dichtbij te ervaren en te bediscussiëren.

Biotech innovaties maken mens en planeet gezonder en dragen bij aan ons verdienvermogen. Maar die innovaties naar de markt brengen, is kennis- en kapitaalintensief en de weg naar de markt is bezaaid met obstakels. Dit vraagt om beleid met visie en een slimme uitvoering. Getuige de plaats van biotech in de Nationale Technologie Strategie en de plannen voor een integrale visie op biotechnologie is onze overheid van plan om gas te geven. En van wie kan je beter leren wat er nodig is dan van biotech ondernemers zelf? Tijd voor een werkbezoek, in dit geval bij Genmab in Utrecht.

In gloedvolle betogen zetten Judith Oprins (Vice President, Head of Global Lab Management & Site Lead NL) namens Genmab en maar liefst drie CEO’s, Tim Knotnerus van Agomab Therapeutics, Kristoff Vercruysse van TargED Biopharmaceuticals en Marcel Jacobs van Matisse Pharmaceuticals, uiteen waar zij de uitdagingen en mogelijkheden zien in Nederland.

Tijdens de daaropvolgende discussie onder leiding van hollandbio’s Annemiek met de delegatie van EZK en RVO en de bedrijven zelf, bleek dat er nu ook al veel instrumenten zijn voor biotech in Nederland. Wat bedrijven en wij daarin zien gebeuren, is dat dat de uitvoering helaas niet altijd aansluit bij de praktijk. Dan lijkt het meer op gas geven met de voet op de rem. En zoals we allemaal weten, kom je in dat geval niet uit de startblokken.

De komende tijd zal hollandbio in nauwe samenwerking met EZK, RVO en bedrijven aan de slag gaan om bestaande instrumenten slimmer en beter te laten aansluiten bij de specifieke wensen van de sector en natuurlijk om gezamenlijk te werken aan een integrale visie die ervoor zorgt dat biotech voor iedereen het leven beter maakt.