← #nieuws

Regie nodig tijdens transitie naar proefdiervrije innovaties

Deze week debatteert de Tweede Kamer over dierproeven. Hollandbio heeft de fracties vooraf op het hart gedrukt dat de transitie naar proefdiervrije innovaties regie nodig heeft. Als partner van het Transitieprogramma Proefdiervrije Innovaties (TPI) en in lijn met het Ncad-transitieadvies Van Niche naar Norm, vragen we de Kamer het kabinet aan te sporen tot één interdepartementale visie, met één onafhankelijke regisseur.

Nederland loopt voorop met innovaties zoals organoïden en organs-on-a-chip. De techniek is van eigen bodem en ons land heeft het innovatiepotentieel al in huis. Nu moeten deze oplossingen hun weg naar de praktijk vinden.

Waarom innovatieve oplossingen nog te vaak goede ideeën blijven

Dat gaat nu nog moeizaam. Want hoewel nieuwe ziektemodellen op specifieke vraagstukken prima een antwoord kunnen geven, is nog onduidelijk wanneer en hoe zij een dierproef of klinische trial kunnen vervangen, en wat nodig is om een model daarvoor te valideren en te kwalificeren. Ontwikkelaars lopen vooral vast in de latere fases, wanneer hun product richting implementatie beweegt, mede doordat financiering en prikkels voor doorontwikkeling en commercialisatie daar onvoldoende aansluiten.

Naast regelgeving spelen er uitdagingen in de praktijk. Een gebrek aan kennis, procedures en infrastructuur staan het opschalen van testen regelmatig in de weg. Daar komt bij dat we in plaats van het doorontwikkelen en breed implementeren van bestaande testen, tegelijkertijd ook met elkaar de ontwikkeling van nieuwere, nog betere ziektemodellen stimuleren. Als we dan toch nieuwe modellen willen blijven ontwikkelen, is het wel zaak dat die ook de praktijk bereiken. Juist over de implementatie en de wijze waarop we dat organiseren moeten we wat hollandbio betreft broodnodig met elkaar in gesprek. Via de Europese samenwerking op nieuwe benaderingen (ERA NAM), mede opgezet dankzij Nederlandse inspanningen, liggen hier mooie kansen om daar als één Europa gezamenlijk in op te trekken.

Regie vanuit één overkoepelende visie

Niet alleen op Europees niveau is er behoefte aan harmonisatie. Ook binnen Nederland hebben we baat bij één interdepartementale visie, ziet hollandbio. Daarom vragen we om regie. Er zijn veel actoren met elk een eigen rol, van overheid en wetenschap tot bedrijfsleven, financiers, proefdierfaciliteiten, Ombion en het TPI-partnerprogramma. Eén visie en één regisseur met doorzettingsmacht en middelen, brengt de acties van ministeries en veld op één lijn. Daarnaast vragen we aandacht voor financiering die past bij validatie en implementatie, en voor regelgeving waarin gevalideerde ziektemodellen worden opgenomen in internationale richtlijnen. Zo zorgen we ervoor dat innovatieve oplossingen dierproeven werkelijk stuk voor stuk gaan vervangen.

← #nieuws

Van wetenschap naar biotechbedrijf: daar valt nog een wereld te winnen

Nederland barst van de wetenschap, maar we weten die kennis niet goed om te zetten in nieuwe bedrijven, liet hollandbio al eerder zien in Lost in Translation. Het nieuwe Dutch Spin-off Report 2026 van Techleap voegt daar een datalaag aan toe. En de boodschap is dubbel: academische spin-offs blijken kansrijk, maar de Nederlandse wetenschap laat nog veel ondernemend potentieel liggen. Sinds 2015 groeide het aantal onderzoekers met 28%, terwijl de spin-offproductie niet meegroeide.

Voor biotech verdient de vergelijking wel wat nuance. Techleap beoordeelt spin-offs onder meer op volume × kwaliteit × snelheid, waarbij het ophalen van €1 miljoen privaat kapitaal een belangrijke mijlpaal is. Dat levert een krachtige benchmark op, maar biotech laat zich niet één-op-één vergelijken met andere startups. Lange ontwikkeltrajecten, hoge kapitaalbehoeftes en veel kapitaal vóórdat er überhaupt een product op de markt staat, horen bij het spel.

Het echte alarmsignaal zit daarom misschien wel eerder in de pijplijn. Het aantal spin-offs uit de health sciences is sinds 2015 met maar liefst 58% gedaald, terwijl de natural sciences hun output juist verdrievoudigden. Breder gezien produceren technische universiteiten bovendien per onderzoeker 3,4 keer zoveel spin-offs als algemene universiteiten en UMC’s.

En dat terwijl spin-offs juist laten zien wat er te winnen valt. Van de Nederlandse biotechstartups is bijna één op de twee een spin-off. Over de volle breedte bereiken spin-offs bovendien vaker financieringsmijlpalen dan startups zonder academische oorsprong: 18% haalt minimaal €1 miljoen op tegenover 9% van andere Nederlandse startups.

De grote verdienste van het rapport is daarmee misschien niet een perfecte benchmark. De onderliggende data kennen beperkingen en Techleap positioneert de monitor zelf als een systeem dat verder wordt uitgebouwd. De winst zit vooral in het meetbaar maken van volume, kwaliteit én snelheid, zodat we gerichter kunnen leren waar kennis wél en niet de stap naar ondernemerschap maakt.

Want aan goede wetenschap en grote maatschappelijke uitdagingen geen gebrek. Nu moeten we zorgen dat meer van die kennis de weg naar de markt vindt. Versterk daarom het ecosysteem van kennisinstellingen, ondernemers, investeerders en gespecialiseerde aanjagers zoals Techleap, Biotech Booster en Oncode. Niet nóg een keer het wiel uitvinden, maar behouden wat werkt, verbeteren wat stokt en vooral: meer ijzersterke wetenschap omzetten in biotechbedrijven die impact maken.

← #nieuws

3% R&D: veel beweging, maar is het genoeg?

Vorig jaar lanceerde het kabinet het 3%-R&D-actieplan. Want met zo’n 2,4% van het bbp aan R&D (en een afvlakkende trend voor de komende jaren) zit Nederland nog een flink eind van de gewenste 3%-norm. Die laatste procentpunten vragen niet om een status quo, maar om fors méér publieke én private R&D-investeringen van in totaal zo’n 12 miljard euro. Inmiddels informeert EZK-minister Herbert de Tweede Kamer over de eerste grote voortgangsupdate, met daarin veel beweging: er komt geld voor spin-offs, toegang tot onderzoeksfaciliteiten staat op de agenda, Invest-NL werkt aan een fonds met institutionele investeerders, er komt meer Europese cofinanciering en het innovatie-instrumentarium gaat op de schop. Uiteindelijk telt voor hollandbio maar één ding: maken deze maatregelen het voor innovatieve bedrijven makkelijker om hier te starten, experimenteren, financieren en door te groeien? Zodat we niet ieder jaar een actieplan nodig hebben om dichter bij de 3% te komen, maar die 3% daadwerkelijk de norm wordt.

Vooral op financiering worden stappen gezet. Hollandbio vroeg eerder aandacht voor het tekort aan grote, risicovolle investeringstickets boven €50 miljoen voor R&D-intensieve scale-ups. Nu werkt Invest-NL aan een fonds-in-fonds waarin pensioenfondsen en andere institutionele beleggers kunnen investeren. De eerste due-diligencetrajecten zijn gestart. Een welkome stap om veel meer Nederlands kapitaal richting snelle groeiers te krijgen. De IPCEI voor Biotech staat helaas nog niet op de Rijksbegroting, ondanks de grote interesse vanuit het bedrijfsleven. De vraag is of hier nog middelen voor gaan komen, iets waar hollandbio zich voor in blijft zetten. Daarnaast passen de ontwikkelingen rond NADI, NII en het Groeifonds gelukkig wel in de bredere beweging om innovatieve bedrijven van meer en beter passend kapitaal te voorzien.

Vlot van start met kennis voor innovatie

Ook rond valorisatie komt er meer aandacht voor ondernemerschap, maar snelheid blijft wat ons betreft het sleutelwoord. De standaard deal terms krijgen gezelschap van express terms, en er komt een nieuwe financieringsregeling voor academische spin-offs. Structurele verbetering betekent dat ondernemer en kennisinstelling snel tot redelijke, financierbare voorwaarden komen. Niet eindeloos polderen, maar wat hollandbio betreft vanuit een gemeenschappelijk doel binnen een maand een voorstel volgens ondernemersvriendelijke deal terms. Verder laat de overheid een verkenning uitvoeren naar een nationale TTO. Hollandbio hoopt dat de overheid daarbij lering trekt uit een nationaal model voor valorisatie van biotech kennis zoals Biotech Booster dat al is. Laten we vooral versterken wat al werkt, in plaats van nieuwe structuren naast bestaande structuren te bouwen

Ruimte voor opschaling op komst?

Het kabinet erkent inmiddels dat hoge gebruikerskosten voor testfaciliteiten een barrière vormen en laat TNO onderzoeken hoe start- en scale-ups beter toegang kunnen krijgen tot bestaande onderzoeks- en testfaciliteiten. Dat past bij hollandbio’s eerdere pleidooi voor vouchers waarbij onze aanvulling blijft: leg de keuze waar mogelijk bij de ondernemer. Een biotechbedrijf weet zelf het beste welke faciliteit nodig is om bijvoorbeeld een klinische of food-grade standaard te halen. Voorkom dat publieke middelen vooral terechtkomen bij faciliteiten omdat ze toevallig al in het systeem zitten. Geld voor experimenteerruimte is pas echt effectief als het een innovatie daadwerkelijk een stap dichter bij de gebruiker brengt.

Van beweging naar resultaat

Allemaal stappen vooruit dus. Toch staat de 3%-teller nog lang niet op groen. Zonder aanvullend beleid koerst Nederland juist verder weg van het doel: de nieuwe analyse voorziet dat de maatregelen de daling wel kunnen afremmen, maar niet keren. De echte lakmoesproef is daarom niet hoeveel fondsen, regelingen en loketten Nederland optuigt, maar of (biotech) bedrijven daadwerkelijk sneller van kennis naar bedrijf, van lab naar pilot en van startup naar scale-up komen. Het 3%-actieplan zorgt voor beweging in de juiste richting, nu het tempo omhoog en dan kunnen ondernemers en bedrijven echt vooruit.

← #nieuws

Volkskrant-artikel over medicinale cannabis: “Wat je nu vernielt, krijg je niet meer terug”

De Volkskrant besteedde deze week uitgebreid aandacht aan de dreigende tekorten van medicinale cannabis en de situatie rondom Bedrocan, dat in surseance van betaling zit terwijl het al decennialang wereldwijd koploper is op dit gebied. Het stuk laat goed zien waar het om gaat: patiënten die afhankelijk zijn van een specifieke variëteit, een overheid die zonder alternatief het contract opzegt en nu noodgedwongen in het buitenland moet aankloppen om zelfgecreëerde tekorten te voorkomen. Een regulier geneesmiddeltekort is dit allerminst, en WUR-hoogleraar voeding en farmacologie Renger Witkamp, tevens voorzitter van kenniscentrum Instituut Medicinale Cannabis, maakt pijnlijk duidelijk wat voor verstrekkende gevolgen een noodgedwongen wissel als gevolg van dit beleidsprobleem kan hebben: “Door welke stof en welk verschil het precies komt weten we niet, maar sommige kinderen krijgen na een wissel simpelweg meer aanvallen.”

Dit is geen gewoon geneesmiddelentekort. Patiënten kunnen niet zomaar wisselen, en de oplossing die VWS voor ogen heeft – import van een buitenlands eindproduct – zal naar verwachting duurder uitvallen. Omdat medicinale cannabis niet vergoed wordt, komen die hogere kosten rechtstreeks bij de patiënt terecht. Wie het zich niet kan veroorloven, of wiens vertrouwde variëteit straks niet meer beschikbaar is, dreigt zijn toevlucht te nemen tot de coffeeshop, waar alleen ongecontroleerd aanbod voorhanden is.

Hollandbio vraagt al langer aandacht voor de situatie en bracht het onderwerp in via een brief aan de VWS-commissie van de Tweede Kamer, die je hier kunt lezen. De politiek heeft intussen een schriftelijke vragenronde ingelast en wacht net als wij op de beantwoording door VWS-minister Hermans. Dezelfde minister die wel opiumontheffingen verleent voor het wietexperiment, zal in november in de Kamer moeten uitleggen hoe zij voorkomt dat patiënten richting de coffeeshop worden gedreven. Wat hollandbio betreft biedt een aanpassing van de beleidsregel de oplossing op de korte termijn: geef binnenlandse productie weer ruimte, zonder te hoeven wachten op een telkens uitgestelde wetswijziging die intussen onherstelbare schade dreigt aan te richten, aan een sector én aan de patiënten die er al jaren op vertrouwen. In de woorden van Witkamp: “Wat je nu vernielt, krijg je niet meer terug.”

← #nieuws

Biotech heeft knappe koppen én handige handen nodig

Goed nieuws voor biotech: life sciences & biotechnologie is één van de vier prioritaire domeinen in de nieuwe Talentstrategie van het kabinet. En misschien nog wel belangrijker: de blik op talent is gelukkig breed. De verschillende onderwijskoepels doen een voorstel waarin het niet alleen gaat om méér mensen opleiden, maar ook om talent aantrekken en behouden, om- en bijscholen én opleidingen sneller laten aansluiten op de kennis en vaardigheden van morgen. Hollandbio las tevreden mee.

Een groeiende biotechsector draait niet alleen op PhD’ers. Onderzoekers, procesoperators, dataspecialisten, regulatory experts, klinische projectmanagers en productiemedewerkers zijn allemaal nodig om innovaties van lab naar markt te brengen. En wíé je wanneer nodig hebt, verandert voortdurend met de ontwikkelfase van een bedrijf. Theoretisch of praktisch, mbo, hbo of wo, wetenschappelijk of toegepast: we have a job that needs to get done.

Daarom moet talentbeleid niet te veel vastzitten aan diploma’s, functietitels of vooraf uitgestippelde loopbaanpaden. Dezelfde expertise kan onder allerlei functietitels schuilgaan en een groot deel van de benodigde vaardigheden in biotech wordt juist op de werkvloer opgebouwd. Ervaring met kwaliteitsdenken, procedures of gereguleerde omgevingen kan bovendien ook uit andere sectoren komen. Kijk dus vooral naar wat iemand kan én kan leren, en naar het werk dat gedaan moet worden.

Leven lang toegang tot de arbeidsmarkt

En dat leren stopt niet bij het behalen van een diploma. Technologie ontwikkelt razendsnel en met de vlucht die bijvoorbeeld AI neemt, zullen vaardigheden blijven veranderen. Daarom juichen we toe dat de onderwijskoepels opleidingen makkelijker willen kunnen aanpassen aan toekomstgerichte kennis en vaardigheden en stevig inzetten op om- en bijscholing. Voor biotech is dat minstens zo belangrijk als nieuwe instroom. Maak een leven lang ontwikkelen daarom ook daadwerkelijk toegankelijk: flexibel, praktijkgericht en met lage drempels voor werknemer én werkgever.

Hetzelfde geldt voor het aantrekken en behouden van talent. Nederland kan veel zelf opleiden en de Europese arbeidsmarkt biedt bedrijven toegang tot talent, maar dat is niet altijd voldoende. Zeker voor specifieke expertise of pieken in de vraag kan internationaal talent van buiten Europa een waardevolle aanvulling zijn. Een toekomstbestendige talentstrategie moet dus niet alleen gaan over opleiden, maar ook over zorgen dat bedrijven op het juiste moment toegang hebben tot de juiste mensen.

Talentbeleid dat werkt

Ook de oproep van de onderwijskoepels om barrières in wet- en regelgeving weg te nemen klinkt hollandbio als muziek in de oren. Volgens de koepels is dat onder meer nodig om regionale samenwerking makkelijker te maken en het onderwijs flexibel te houden. Ze willen bovendien structureel met betrokken partijen om tafel over de talentopgave. Terecht, want talentbeleid werkt niet als curricula, regels en publiek-private samenwerking langzamer bewegen dan de technologie en bedrijven waarvoor we dat talent zo hard nodig hebben.

De richting klopt dus. Biotech staat terecht op het prioriteitenlijstje. Nu moet die prioriteit worden vertaald naar voldoende mensen op de labvloer én in de fabriek, opleidingen die kunnen meebewegen, ruimte om te leren op de werkvloer en toegang tot talent van binnen én buiten Nederland. En vooral: beleid dat meebeweegt met de verschillende behoeften van start-ups, scale-ups en grotere biotechbedrijven, in plaats van de sector in één mal te persen.

Plukken we na de jaarwisseling de vruchten?

De voorstellen van de onderwijskoepels vormen het vertrekpunt voor de verdere uitwerking van de Talentstrategie; rond de jaarwisseling volgt de volgende stap richting de Tweede Kamer. De zaadjes zijn daarmee geplant. Of we straks ook de vruchten kunnen plukken, hangt af van de ruimte, inzet en het lef bij de uitwerking. Maar voor nu staan de neuzen alvast behoorlijk dezelfde kant op.

← #nieuws

Bouwen in plaats van afbreken

, ,

De laatste tijd horen we het steeds vaker: patiënten in landen om ons heen worden behandeld met nieuwe geneesmiddelen, maar in Nederland worden deze niet vergoed. Ook als het Zorginstituut heeft vastgesteld dat een geneesmiddel meerwaarde heeft, geeft dit nog geen garanties voor toegang. Met het pakketadvies in de hand zet het ministerie van VWS in op stevige kortingen, waardoor onderhandelingen meermaals muurvast komen te zitten. Ondertussen trekken patiëntenorganisaties aan de bel, maar zij blijven met lege handen zitten. Zo brokkelt de toegang tot geneesmiddelen in Nederland steeds verder af.

Patiëntenvereniging Spierziekten Nederland deed voor de zomer een dringende oproep om de vergoeding van een geneesmiddel voor patiënten met Ataxie van Friedreich te regelen. Het Zorginstituut concludeerde in zijn pakketadvies van juli 2025 dat het geneesmiddel, omaveloxolone (Skyclarys®), meerwaarde heeft voor patiënten, en adviseerde het om na prijsonderhandelingen op te nemen in het basispakket, met een geadviseerde korting van 84%. Bij deze onderhandelingen loopt het nu vast. In openbare reacties op de brief van Spierziekten Nederland leggen Biogen en de minister uit hoe zij proberen hieruit te komen.

Dat een bedrijf zo open communiceert over hun inzet bij de onderhandelingen over een geneesmiddel hebben we bij hollandbio niet eerder gezien. Petje af voor Biogen. Als we van alle kanten beter begrijpen hoe de overwegingen rond vergoeding lopen, kunnen we ook het gesprek voeren over hoe het beter kan. Wat voor ons geen nieuws is, is dat het moeilijk is om geneesmiddelen in Nederland vergoed te krijgen. Er zijn namelijk meer patiënten die uitkijken naar een geneesmiddel. Om een greep te doen: een gentherapie voor de behandeling van hemofilie die nota bene op Nederlandse bodem is ontwikkeld, is in veel Europese landen beschikbaar, maar niet in Nederland. En ook een geneesmiddel voor borstkanker wordt hier niet voor alle patiënten vergoed, wat tot schrijnende situaties leidt en Nederland tot de enige uitzondering maakt in Europa.

Van alle geneesmiddelen die tussen 2021 en 2024 bij het Europees Medicijnagentschap zijn geregistreerd is slechts 54% in Nederland beschikbaar. Voor weesgeneesmiddelen is dit zelfs maar 39%. Patiëntenverenigingen als Spierziekten Nederland en Borstkankervereniging Nederland beschrijven helder waar het uitblijven van vergoeding op neerkomt: patiënten die hier verder achteruitgaan, terwijl zij zien dat het geneesmiddel in landen om ons heen wel verkrijgbaar is.

Het wrange is dat we in Nederland wel degelijk manieren hebben om geneesmiddelen te vergoeden, ook wanneer er meer nodig is dan een simpele korting. Bedrijven, overheid en zorgverzekeraars kunnen afspraken maken die passen bij de situatie van een bepaald geneesmiddel. Goede voorbeelden hiervan kunnen we vinden bij de weesgeneesmiddelen, maar daar wordt het ook spannend. Juist nu kiest het ministerie van VWS er namelijk voor om de regeling Voorwaardelijke Toelating flink uit te kleden. En ook de toekomst van het Orphan Drug Access Protocol is ongewis, nu het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen eraan zit te komen. De Tweede Kamer deelt onze zorgen, en nam eind juni bijna unaniem een motie aan die oproept tot een goede route voor de vergoeding van weesgeneesmiddelen.

Rapporten en plannen zijn er legio, maar patiënten hebben er pas echt iets aan als hun behandelingen ook beschikbaar komen. De bouwstenen zijn er en de Kamer heeft de wens voor een goede route duidelijk uitgesproken. Nu is het aan het ministerie om die stenen niet af te breken, maar er juist mee te bouwen. Samen met patiënten, artsen en bedrijven. Want elke maand dat een patiënt niet behandeld kan worden, is een maand dat iemand verder achteruitgaat.

← #nieuws

From ambition to action: financing the biotech solutions of tomorrow

,

Last Thursday afternoon, professionals from across the Dutch biotech ecosystem gathered at De Kas in Woerden for the fifth edition of Biotech for a Future-Proof Planet. Entrepreneurs, investors, researchers, policy makers and ecosystem partners came together to discuss one of the most pressing questions facing the sector today: how do we finance the next generation of biotech plants, food and materials? Against a backdrop of growing international competition and rising political attention for the biotech sector, speakers and attendees explored what is necessary to move biotech from smart ideas all the way to market adoption. The conclusion was clear: building a future-proof planet requires action across the entire ecosystem.

Key players in one room

The afternoon kicked off with a warm welcome from Remco Hermans, board member of the Dutch Biotechnology Association (NBV), who highlighted the value of bringing together people from every corner of the biotech ecosystem – all needed to translate biotech innovation into societal impact.

Building on that message, hollandbio’s Wieteke set the scene by outlining the opportunities and challenges Dutch biotech faces. Around the world, governments and investors increasingly recognise biotech as a strategic technology capable of addressing major societal challenges, from healthcare and food security to sustainability and circularity. At the same time, international competition is intensifying, with the United States and China investing heavily to strengthen their biotech ecosystems.

Wieteke emphasised that biotech innovation depends on a strong and connected ecosystem. An ecosystem, after all, is only as strong as its weakest link. While important progress has been made in recent years, including improvements in GMO permitting procedures and the adoption of new genomic techniques legislation, significant challenges remain. Financing continues to be on top of the list for companies looking to scale.

The scale-up challenge

Next on stage was Willemijn van der Elst, Investment Manager Agrifood at Invest-NL. She offered the audience an early glimpse into Invest-NL’s ongoing biotech deep dives, which are helping shape the organisation’s future ambitions and strategy for strengthening the Dutch biotech ecosystem.

According to Willemijn, the Netherlands has all the ingredients to become a leading biotech hub, including strong science, innovative companies and growing political momentum. Yet scaling innovative companies remains challenging. Across biotech applications, Invest-NL identified five recurring bottlenecks: financing, infrastructure, market adoption, regulation and coordination across value chains.

Drawing on findings from the agrifood deep dive, she explained that reaching commercial scale ultimately requires companies to secure production capacity, build teams with the right expertise and find their first customers. Unlocking the sector’s full economic and societal potential therefore requires action from everyone involved. Governments, investors, companies, ecosystem partners and customers each have a role to play in creating the conditions for growth.

From scientific breakthrough to successful business

Providing the private investor perspective was Guillaume Baxter, Partner at Sofinnova. He reflected on the evolution of industrial biotech over the past decade. The good news, he noted, is that the technology is increasingly mature, talent pools are growing and markets are actively looking for future-proof solutions.

His key message to entrepreneurs was straightforward: scale should be earned, not assumed. Companies must demonstrate they can manufacture at scale, build experienced teams, develop a compelling value proposition and establish a clear route to profitability. Because ultimately, customers only buy products when they are better, cheaper or solve a real problem.

Built in Europe, sold abroad… and now coming home?

The entrepreneurial perspective came from Ferdinand Los, CEO of Hudson River Biotechnology. Through the story of his company, he illustrated how funding, regulation and market development come together in practice.

Although the company is based in the Netherlands, much of its early commercial success came from markets outside Europe. Because genome editing was effectively not an option in the EU, the company was forced to pursue opportunities abroad, while raising capital became increasingly challenging due to the lack of a viable regulatory pathway and limited investor confidence.

The recent adoption of the EU’s Regulation on new genomic techniques (NGT’s) is already changing the picture. As Ferdinand put it, the company received more enquiries from European customers in the past four months than in the previous four years combined. This surge in interest shows the potential impact of the NGT Regulation. However, its ultimate success will depend on how the framework is translated into workable rules over the next two years.

Nevertheless, regulation alone will not be enough. Europe also needs stronger value-chain collaboration and greater access to growth capital if it wants to remain competitive in the global biotech race.

We need bold moves to make progress

The event concluded with an interactive panel discussion featuring Willemijn, Guillaume and Ferdinand, moderated by Wieteke. Topics ranged from AI and talent development to regulation, public acceptance and Europe’s competitiveness in an increasingly global biotech landscape. Although perspectives differed, the speakers largely agreed on three things: Europe has the scientific foundations to succeed, regulation and financing need to better support innovators as they scale, and collaboration across the value chain will be essential to bring biotech solutions to market.

But the discussion also carried a clear warning: Europe cannot afford to continue at its current pace. As Guillaume put it: “If we do not act decisively now, Europe risks being left with little more than a future built on tourism and services. The foundations are there, but scientific excellence and ambitious strategies will mean little unless they are followed by bold decisions and rapid, coordinated action.”

The energy in the room showed that the Dutch biotech ecosystem is ready to play its part. Conversations continued long after the formal program ended, with attendees exchanging ideas, making new connections and exploring opportunities for collaboration. That willingness to work together remains one of the Dutch biotech sector’s greatest strengths. Now, the growing pressure to improve Europe’s competitiveness must create the momentum to break through old barriers, make bold moves and turn ambition into action. The potential is there, but the time to act is now.

Photos by Nils van Houts.

This event was made possible by ChemistryNL.

← #nieuws

To launch or not to launch, is de vraag

, ,

Hollandbio waarschuwde al eerder voor de mogelijk verstrekkende impact van de herziene farmaceutische wetgeving die recent officieel werd aangenomen. Misschien wel bovenaan onze zorgenlijst staat Artikel 59: de lanceerverplichting, die, zeker in de huidige geopolitieke context, explosieve gevolgen kan hebben.

Geen launch binnen drie jaar? Da’s pech, regulatoire marktbescherming weg
De lanceerverplichting (Artikel 59) is – op papier – gericht op het verbeteren van beschikbaarheid en leveringszekerheid van nieuwe geneesmiddelen in elke Europese lidstaat. Volgens de bepaling kunnen individuele lidstaten marktvergunningshouders verzoeken om binnen één jaar na verlening van een Europese handelsvergunning ofwel een geldige aanvraag voor prijsstelling en vergoeding in te dienen, deel te nemen aan nationale aanbestedingsprocedures, of met de betreffende lidstaat tot een roll-out plan voor levering van het geregistreerde product te komen. Voldoet de vergunninghouder binnen drie jaar niet aan dit verzoek, dan vervalt de regulatoire marktbescherming in dat land.

Europa rijkelijk naïef in wereldwijde handelsoorlog
Het zal voor velen geen nieuws zijn, maar onze sector bevindt zich temidden van een geopolitiek schaakspel dat zijn weerga niet kent. Europa heeft daarin een aantal troeven, zoals sterke wetenschap, innovatieve start-ups en fantastisch talent. Helaas kent het Europese biotech ecosysteem ook fikse zwakke plekken: de beschikbaarheid van kapitaal om te schalen en te commercialiseren, ingewikkelde, tijdrovende en kostbare routes voor markttoelating, en, wellicht de zwakste plek: een totaal gefragmenteerde afzetmarkt en beperkte betalingsbereidheid voor innovatie. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, wereldleider in investeringen in biotech innovatie én bovendien de aantrekkelijkste markt voor geneesmiddelen.

Daar willen de VS nu wat voor terug: met Trumps handelstarieven en Most-Favorite-Nation (MFN) beleid van globale referentieprijzen, streven de VS naar een eerlijkere verdeling van de wereldwijde rekening voor innovatie, en bovendien om zo veel mogelijk (productie)schakels van de biotech keten naar eigen territorium te trekken. Het stelt biotech bedrijven voor een duivels dilemma: wanneer zij producten in Europa lanceren, lopen zij het risico hun omzet in de VS, by far de belangrijkste afzetmarkt, te zien teruglopen.

Explosiegevaar: bommetje onder biotechbeleid
Juist in deze geopolitieke context is de lanceerverplichting een bijzonder explosieve wetgevende passage. Want waar het nu meer dan ooit nodig is om een gezamenlijke Europese vuist te maken, en te zorgen voor een sterkere, minder gefragmenteerde Europese afzetmarkt voor innovatieve geneesmiddelen, geeft artikel 59 lidstaten juist alle ruimte om nog meer individuele eisen te stellen aan bedrijven en de fragmentatie te vergroten. En tot overmaat van ramp kiest Europa niet voor de wortel, maar voor de stok: met het verliezen van marktbescherming morrelt Europa aan het fundament van het wereldwijde systeem van biotech innovatie.

Maatregel waarschijnlijk niet doeltreffend
Al staat er rondom artikel 59 nog veel open, hollandbio vreest dat Europa haar hand hier fiks overspeelt. In het huidige geopolitieke geweld is het aannemelijker dat meer fabrikanten af gaan zien van registratie in Europa, dan dat de lanceerverplichting bij gaat dragen aan de beoogde verbetering van beschikbaarheid en leveringszekerheid van innovatieve geneesmiddelen. Je kunt immers wel eisen stellen, maar een bedrijf moet ook kunnen en willen leveren. Dat doen ze doorgaans als eerst daar waar dit financieel het meest loont.

Een doemscenario dreigt: Europa krijgt pas toegang tot innovatieve medicijnen als ze niet meer innovatief zijn, wanneer generieken en biosimilars hun intrede doen. En of de markt nog wel aantrekkelijk genoeg is voor generieken en biosimilars, is dan nog maar de vraag. De aanhoudende race naar de bodem van het generieke prijsbeleid, doet vrezen.

Gelukkig zijn niet alle lidstaten enthousiast over artikel 59, en biedt de passage juist door zijn opzet nog volop ruimte voor eigen invulling bij de implementatie. Het Nederlandse kabinet lijkt zich bewust van de risico’s van dit artikel, getuige ook de beantwoording van vragen die uit dit eerdere Schriftelijk Overleg, waarin de regering zich sceptisch uitlaat over de doeltreffendheid van het concept lanceerverplichting. Het Nederlandse perspectief is er echter slechts één van de 27, en het is nog niet duidelijk hoe andere lidstaten in de wedstrijd zitten. Bij hollandbio zijn we er in ieder geval nog bepaald niet gerust op…

← #nieuws

Zorg voor vruchtbare voedingsbodem bij uitwerking NGT-regels

, ,

Europa heeft met de nieuwe NGT-verordening een belangrijke stap gezet richting toekomstbestendige landbouw. Maar met alleen een mooi wettelijk kader zijn we er nog niet. Of onderzoekers, veredelaars en biotechbedrijven straks écht met deze slimme veredelingstechnieken aan de slag kunnen, hangt nog af van de praktische uitwerking van de regels. Daarom diende hollandbio input in op de uitvoeringsregels voor zowel categorie 1- als categorie 2-NGT-planten. Onze boodschap richting de Europese Commissie: zorg voor werkbare procedures en voorkom dat onnodige informatieverplichtingen, technisch onhaalbare detectie-eisen en ellenlange procedures innovatie alsnog de pas afsnijden.

Zelfde gewassen, maar dan beter

Met nieuwe genomische technieken, zoals CRISPR-Cas, kunnen veredelaars sneller, preciezer en efficiënter werken aan gewassen die beter bestand zijn tegen ziekten, plagen, droogte en hitte, bijvoorbeeld omdat zij efficiënter om kunnen gaan met water en voedingsstoffen of een verbeterde voedingswaarde krijgen. Stuk voor stuk oplossingen waar onze landbouw, voedselvoorziening en planeet om zitten te springen.

De nieuwe Europese verordening maakt daarbij onderscheid tussen twee categorieën. Categorie 1 omvat planten met genetische aanpassingen die ook van nature of via conventionele veredeling zouden kunnen ontstaan. Voor deze planten komt een vereenvoudigde verificatieprocedure. Categorie 2 omvat planten met andere NGT-aanpassingen. Voor deze categorie blijven aangepaste procedures voor risicobeoordeling, notificatie en markttoelating gelden.

De Europese Commissie werkt nu de regels en informatievereisten voor beide categorieën verder uit. De manier waarop deze procedures worden ingericht, bepaalt of de nieuwe verordening daadwerkelijk deuren opent, of innovatie door nieuwe bureaucratische hindernissen opnieuw voor een dichte deur komt te staan. In onze inbrengen (voor categorie 1 hier en voor categorie 2 hier te vinden) formuleren we aandachtspunten voor werkbare NGT-regels.

Kijk naar de plant, niet naar de route ernaartoe

Categorie 1-NGT-planten zijn vergelijkbaar met planten die van nature of via conventionele veredeling kunnen ontstaan. De verificatie hoort daarom maar één vraag te beantwoorden: voldoet de uiteindelijke plant aan de vastgestelde criteria?

Wat hollandbio betreft, moet de beoordeling zich richten op het eindresultaat. Tijdelijke tussenstappen en genetische elementen die tijdens de ontwikkeling zijn gebruikt, maar niet meer in de uiteindelijke plant aanwezig zijn, horen de juridische status van die plant niet te bepalen. Alleen de beoogde NGT-aanpassingen die daadwerkelijk in de uiteindelijke plant aanwezig zijn, moeten worden meegeteld.

De verificatie mag al helemaal niet via de achterdeur veranderen in een nieuwe risico- of toelatingsprocedure. Dat zou haaks staan op het uitgangspunt van de verordening en opnieuw onnodige kosten, vertraging en onzekerheid veroorzaken.

Geen genetische speld in een hooiberg zoeken

Ook de bewijsvoering voor categorie 1 moet proportioneel blijven. Veredelaars en onderzoekers moeten met passende wetenschappelijke methoden kunnen aantonen dat een plant aan de criteria voldoet. Een verplichte standaardroute of rigide checklist past daar niet bij.

Whole-genome sequencing mag daarom geen standaardvereiste worden. Zo’n verplichting zou ertoe kunnen leiden dat iedere aangetroffen genetische variant moet worden verklaard, terwijl variatie ook van nature, tijdens weefselkweek en bij conventionele veredeling ontstaat. Daarmee dreigt de verificatie een zoektocht te worden naar een genetische speld in een hooiberg, zonder dat dit nodig is om de categorie 1-status vast te stellen.

De informatievereisten moeten bovendien werkbaar zijn voor de volle breedte van het biotech-ecosysteem, van start-ups en mkb-bedrijven tot gevestigde veredelaars en publieke onderzoeksinstellingen. Ook ontwikkelaars van kleinere of minder commercieel geteelde gewassen mogen niet worden buitengesloten doordat voor hun gewas minder genomische informatie beschikbaar is.

Zorg voor eén Europees speelveld

Eén Europese verordening vraagt om één Europese uitleg. Wanneer iedere lidstaat eigen informatievereisten, telmethoden of aanvullende beperkingen kan introduceren, ontstaat alsnog een nationale hindernisbaan. Hollandbio pleit er daarom voor dat lidstaten geen aanvullende nationale eisen kunnen toevoegen aan de verordening.

Geef onderzoek en veldproeven de ruimte

Een belangrijk aandachtspunt in onze categorie 1-inbreng is de positie van onderzoek en ontwikkeling. In een vroege onderzoeksfase testen ontwikkelaars vaak verschillende aanpassingen, om vervolgens via selectie tot een uiteindelijke plant te komen die binnen de categorie 1-criteria valt.

Het moet daarom praktisch mogelijk blijven om experimentele lijnen met meer dan twintig aanpassingen in veld- en kasproeven te onderzoeken. Als ieder tussenstadium door een zware toelatingsprocedure moet, worden juist de experimenten geblokkeerd die nodig zijn om geschikte categorie 1-planten te ontwikkelen.

Wanneer zulke proeven alleen onder het volledige bestaande ggo-kader kunnen plaatsvinden en vroege verificatie tegelijkertijd openbaarmaking van concurrentiegevoelige onderzoeksinformatie vraagt, wordt onderzoek buiten Europa ineens een stuk aantrekkelijker. Dat is precies het tegenovergestelde van wat Europa nodig heeft. We willen innovatie hier mogelijk maken, niet haar met zorgvuldig opgetuigde regels de grens over jagen.

Eenmaal categorie 1, blijvend categorie 1

Ook na verificatie moet er duidelijkheid zijn. Een plant die als categorie 1 is geverifieerd, moet vervolgens net als conventioneel uitgangsmateriaal in verdere veredelingsprogramma’s kunnen worden gebruikt.

Eerder beoordeelde aanpassingen mogen bij volgende kruisingen niet telkens opnieuw worden geteld of beoordeeld. Dat geldt ook voor nakomelingen van planten die afzonderlijk al als categorie 1 zijn geverifieerd. Alleen wanneer daarna een nieuwe NGT-toepassing plaatsvindt, horen de nieuw geïntroduceerde aanpassingen te worden bekeken.

Zonder zo’n duurzame status blijft het gebruik van categorie 1-planten in de praktijk onnodig ingewikkeld. Mét die duidelijkheid kunnen veredelaars daadwerkelijk voortbouwen op eerdere innovaties, precies zoals dat bij conventionele veredeling gebeurt.

Laat de regels ook voor categorie 2 het verschil maken

Ook voor categorie 2-planten geldt dat de nieuwe regels alleen verschil maken als de procedures daadwerkelijk slimmer worden ingericht.

Hollandbio pleit uiteindelijk voor een bredere modernisering van het Europese ggo-kader. Regelgeving zou moeten kijken naar de veiligheid en eigenschappen van het uiteindelijke product, in plaats van naar de technologie waarmee dat product is ontwikkeld. Voor categorie 2-NGT-planten moet de beoordeling daarom wetenschappelijk onderbouwd, proportioneel, voorspelbaar en praktisch uitvoerbaar zijn.

Als aanvragen voor categorie 2-planten terechtkomen in dezelfde langdurige, onzekere en politiek gevoelige procedures die de teelt en marktintroductie van ggo-gewassen in Europa al decennialang praktisch onmogelijk maken, dan levert de nieuwe wetgeving niet de beloofde vooruitgang. Een nieuw wettelijk etiket op een oude procedure is niet genoeg.

Het doel moet zijn om de veiligheid van een product zorgvuldig en op basis van wetenschappelijk bewijs te beoordelen. Niet om innovatie vast te laten lopen in een administratief doolhof waaruit zelfs veilige en waardevolle producten niet meer ontsnappen.

Tijd om door te pakken

Europa heeft met de nieuwe NGT-verordening een belangrijke keuze gemaakt voor innovatie. Nu is het zaak die vooruitgang niet alsnog te smoren in een wirwar van bewijsvereisten, nationale verschillen, politiek gevoelige procedures en technisch onhaalbare voorwaarden.

De verordening wordt vanaf 17 juli 2028 van toepassing. Voor die tijd moeten de uitvoeringsregels en bijbehorende richtsnoeren klaar zijn. Hollandbio pleit voor regels die helder, geharmoniseerd, proportioneel en toekomstbestendig zijn. Regels die veiligheid en wetenschappelijke kwaliteit als uitgangspunt nemen, maar ook erkennen hoe onderzoek, plantenveredeling en productontwikkeling in de praktijk werken.

Want alleen wanneer veredelaars en biotechbedrijven slimme veredelingstools daadwerkelijk kunnen gebruiken, kunnen betere gewassen sneller bijdragen aan duurzame landbouw, voedselzekerheid, klimaatadaptatie en een concurrerend Europa.

← #nieuws

Strategische biotech verdient passende financiering

Europa heeft biotech terecht uitgeroepen tot strategische sector en investeert via publieke financieringsprogramma’s als Horizon Europe dan ook volop om onderzoek richting de markt te helpen. Toch leiden meer investeringen helaas nog niet direct tot meer biotech groei, laat een analyse van tien jaar Horizon-grants zien, uitgevoerd door het Centre for Future Generations (CFG). De huidige subsidie-instrumenten zijn volgens het CFG grotendeels ontworpen voor technologieën die relatief snel van onderzoek naar markt gaan. Innovatieve biotech bedrijven hebben daarentegen juist vaak te maken met lange ontwikkeltrajecten, hoge kapitaalbehoeften en complexe opschalingsvraagstukken. Daardoor zijn de beschikbare subsidies regelmatig onvoldoende voor hen om de volgende technische, klinische of commerciële mijlpaal te bereiken. Lees meer

Niet aansluiten op behoeften is gemiste kans

Het onderzoek laat zien dat een groot deel van het Horizon-biotechbudget op dit moment terechtkomt bij grotere consortia en bedrijven binnen concernstructuren. Hoewel mkb-bedrijven 85% van de biotechontvangers vormen, ontvangen zij slechts 22% van de beschikbare financiering. Dat is een gemiste kans. Juist zelfstandige biotech-SME’s laten volgens het CFG na een Horizon-subsidie een omzetgroei van bijna 25% zien, terwijl dat effect bij bedrijven binnen grotere groepen uitblijft. De onderzoekers concluderen daarom dat niet alleen de hoogte van de financiering telt, maar vooral de aansluiting op de behoeften van innovatieve biotechbedrijven.

Strategische financiering is meer dan geld

Het is een conclusie die hollandbio alleen maar kan onderschrijven. Strategische biotech vraagt om strategische financiering: niet alleen meer geld, maar ook passende tickets, continuïteit tussen instrumenten en financiering die daadwerkelijk terechtkomt waar die het verschil maakt. En natuurlijk moet ook het bredere innovatieklimaat kloppen, benadrukt het rapport terecht. Zeker voor industriële biotech zijn ook gedeelde opschalingsinfrastructuur én een markt voor innovatieve producten nodig. Anders financieren we mooie projecten, maar bouwen we nog geen sterke biotech sector.